18 terms

Mon portfolio U 23

STUDY
PLAY
Tu vas à l'école comment?
Hoe ga je naar school?
Je vais à pied.
Ik ga te voet.
Je vais à vélo.
Ik ga met de fiets.
Je vais en voiture.
Ik ga met de auto.
Je vais en train.
Ik ga met de trein.
Je vais en tram.
Ik ga met de tram.
Je vais en bus.
Ik ga met de bus.
Je vais en métro.
Ik ga met de metro.
La directrice va en avion à Marseille?
Gaat de directrice met het vliegtuig naar Marseille?
Oui, elle prend l'avion.
Ja, ze neemt het vliegtuig.
Vous allez souvent en France?
Gaan jullie vaak naar Frankrijk?
Oui, chaque année en juillet.
Ja, elk jaar in juli.
Tu as des vacances en novembre?
Heb je vakantie in november?
Oui, pendant une semaine.
Ja, gedurende een week.
Nous allons plus vite en tram?
Gaan we sneller met de tram?
Non, ça va plus vite en métro.
Nee, het gaat sneller met de metro.
Beaucoup de camions passent sur cette route?
Komen op deze baan veel vrachtwagens voorbij?
Oui, chaque jour 6 253 camions passent ici.
Ja, elke dag komen hier 6 253 vrachtwagens voorbij.