30 terms

Literatuur termen H3

Eldorado
STUDY
PLAY

Terms in this set (...)

Auctoriaal verhaal
Het perspectief van de alwetende verteller. De verteller komt zelf in het verhaal niet voor.
Belangenruimte
Het gevoel van een verhaalfiguur komt overeen met de ruimte om hem heen.
Bijfiguur
Er wordt alleen een korte typering gegeven van deze persoon, maar hij/zij is wel noodzakelijk.
Chronologisch
De volgorde van het verhaal loopt mee met de tijd.
Flashback
Brengt je terug in de tijd.
Gesloten einde
Als het verhaal en de tekst op hetzelfde moment eindigen. (Bij een liefdesgeschiedenis en het koppel trouwt met elkaar.)
Handeling (plot, intrige)
In de handeling ontwikkelt zich het thema: de centrale gedachte van het verhaal.
De drie basiselementen van de handeling: ruimte, verhaalfiguren, situaties zijn in een verhaal altijd aanwezig in een bepaalde verhouding.
Hoofdfiguur
Het gaat vooral om hem/haar in het verhaal, en om wat zij meemaken
Ik-verhaal
De verteller is een ik-figuur, die over zijn eigen belevenissen vertelt of over die van een ander.
Informatieve opening
De schrijver introduceert eerst zijn personages en de plaatsen waar zijn verhaal zich gaat afspelen.
Karakter (round-character)
Verhaalfiguur die uitgebreid beschreven wordt.
Karikatuur
Een bepaalde eigenschap van een type wordt overdreven, vaak met humoristisch effect.
Leidmotief
Op het eerste oog onbetekenende details, die door herhaling belangrijk worden.
Motief
Als lezer krijg je in de loop van het verhaal verschillende signalen die op het themal wijzen: bepaalde verschijnselen, gebeurtenissen of uitspraken.
Onderbroken verhaal
Het verhaal kan sprongen maken in de tijd, maar blijft wel de lijn vroeger-nu-toekomst volgen.
Open einde
Het verhaal gaat verder terwijl de tekst is afgelopen. Nog niet alles is opgelost. Het verhaal blijft je nog bezighouden. Je probeert zelf een aannemelijk slot te bedenken.
Opening-in-de-handeling
Er kan ook al heel wat gebeurd zijn, als je begint aan een verhaal. De schrijver probeert je meteen te pakken. (Opening verhaal: Het lemmet zonk zachtjes in het spierweefsel en gleed soepel van voor naar achteren.)
Personaal verhaal (hij/zij-verhaal)
Je beleeft de gebeurtenissen mee door de ogen van een persoon, die meespeelt in het verhaal. Zo'n verhaal staat in de hij/zij-vorm.
Perspectief
De vertelwijze of het vertelperspectief bepaalt de manier waarop je tegen de ruimte, de verhaalfiguren en de situaties aankijkt.
Ruimte
De plaats en de tijd waar het verhaal zich afspeelt.
Scène
Een afgerond onderdeeltje van een verhaal
Situatie
Onderdeel van een verhaal waarin een bepaalde handeling wordt volbracht, sprake is van een bepaald tijdsverloop en er verschijnt of verdwijnt een (bij)figuur.
Spanning
Een verhalenschrijver speelt een spel met zijn lezer. Hij wil hem ergens heen leiden: naar de ontknoping van het verhaal. Dat doet hij op geraffineerde wijze: stukje bij beetje doseert hij zijn verhaalelementen.
Spanningsboog
De tijd die verloopt tussen de vraag en het antwoord.
Thema
Dat wat je als lezer ervaart als de grondgedachte van dat verhaal.
Tijdsverloop
Gebeurtenissen spelen zich af in een bepaalde tijd.
Tijdversnelling
Als een langere periode wordt samengevat in een paar zinnen.
Tijdvertraging
Een bepaalde scène wordt verhoudingsgewijs zeer gedetailleerd beschreven.
Type (flat character)
Van een figuur worden slechts bepaalde kenmerken geschreven.
Vertelwijze (vertelperspectief)
Bepaalt de manier waarop je tegen de ruimte, de verhaalfiguren en de situaties aankijkt.