19 terms

Nederlands

STUDY
PLAY

Terms in this set (...)

mannelijke zelfstandig naamwoorden
deze die hem hij zijn
onzijdig zelfstandig naamwoorden
dat dit het zijn (het is altijd bij verklein woorden)
vrouwelijk zelfstandig naamwoorden
deze die zij ze haar
haar (besluit)
vrouwelijk
zijn (besluit)
mannelijk en onzijdig
hen
na voorzetsel (aan, voor etc). Na lijdend voorwerp (wie/wat?)
hun
bezittelijk voornaamwoord (geeft bezit aan, van hun). Meewerkend voorwerp zonder voorzetsel (aan hun).
kenmerken hoofdzin
persoonsvorm en onderwerp staan naast elkaar (pv = ww dat veranderd in vt) je kan geen niet of nooit tussen pv en ow zetten. Hoofdzin kan je niet door 1 woord vervangen.
kenmerken bijzin
kan je altijd vervangen door een woord OW en PV niet naast elkaar
wat
1. alles iets niets veel 2. overtreffende trap (het beste wat..) 3. betrekking op hele zin (ze zijn 20 jaar getrouwd, wat heel leuk is)
inversie
omkeren van volgorde van zin (van normale volgorde) mag alleen bij vragende zin en als de zin niet met ow begint
beknopte bijzin
ow van hoofdzin moet gelijk zijn met ow van bijzin. Uitgehongerd kwam de bus aan bijv klopt niet
samentrekking
mag alleen 1 hij zette de motor en zijn vrouw af - fout, betekenis moet hetzelfde zijn 2. alleen binnen zin van zelfde rang (hz of bz).
congruentie. Fout is incongruentie
onderwerp moet zelfde getal hebben als persoonsvorm. Als het duidelijk om samenhangende groep gaat is het enkelvoud.
contaminatie
als mensen woorden of uitdrukkingen door elkaar halen. Duur kosten, wegdeponeren (weggooien).
pleonasme
als je meer woorden gebruikt dan nodig is, ronde cirkel, witte sneeuw
tautologie
woorden hebben precies zelfde betekenis en worden in zelfde zin gebruikt, zo spoedig mogelijk per ommegaande
.. dan
vergrotende trap (groter, ouder sterker etc) is het dan
.. als
de rest, dus net zo groot of drie keer zo groot is alsnog als.