CM3 - Fontys Toegepaste Psychologie - Begrippen Baarda H4

Gebaseerd op de de begrippenlijst van hoofdstuk 4 van Baarda's "Dit is onderzoek". De verplichte literatuur voor CM3
STUDY
PLAY

Terms in this set (...)

SPSS
Veelgebruikt softwarepakket om statistische analyses uit te voeren.
Datamatrix
Hierin voer je de onderzoeksgegevens in, zodat je ze statistisch kunt verwerken. De rijen vormen meestal de eenheden, de kolommen de variabelen.
Meetniveau
Het meetniveau van je gegevens, te weten: nominaal, ordinaal, interval- of rationiveau.
Nominaal meetniveau
Meetniveau waarbij de waarden (getallen) van een variabele alleen maar te interpreteren zijn als etiket of naamgeving, zoals bij het geslacht.
Ratiomeetniveau
Meetniveau waarbij de verhouding tussen meetwaarden (getallen) van een variabele eveneens de verhouding weergeeft tussen de waarden van de begrippen in de werkelijkheid. Deze schaal heeft een natuurlijk of absoluut nulpunt.
Ordinaal meetniveau
Meetniveau waarbij tussen meetwaarden (getallen) van een variabele een rangorde kan worden aangebracht in termen van meer of minder.
Interval meetniveau
Meetniveau waarbij gelijke verschillen tussen meetwaarden (getallen) van een variabele duiden op gelijke verschillen tussen de eenheden in werkelijkheid.
Continue gegevens
Gegevens waarbij oneindig veel waarden voor kunnen komen. Het gewicht is daar een voorbeeld van.
Discrete gegevens
Gegevens van nominaal meetniveau waarbij geen sprake is van ordening in de zin van meer of minder, zoals de stad waar men studeert.
Kwalitatieve gegevens
Gegevens waarbij de waarden (getallen) van een variabele alleen maar te interpreteren zijn als etiket of naamgeving, zoals bij het geslacht.
Kwantitatieve gegevens
Kwantitatieve gegevens zijn gegevens waarbij sprake is van een kwantiteit, hoeveelheid of volgorde in de zin van meer of minder, hoger of lager en dergelijke.
Beschrijvende statistiek
Statistiek die gebruikt wordt voor het beschrijven van databestanden.
Inferentiële statistiek
Statistische technieken waarbij je schattingen over populatiekenmerken doet op basis van steekproefgegevens.
Statistisch significant
Een effect is statistisch significant wanneer de kans op toeval om een gevonden statistische testwaarde te vinden kleiner is dan een van tevoren vastgelegd niveau. Meestal wordt als kritische grens 5% genomen; alpha is .05.
Non-parametrische toetsen
Statistische toetsings- en schattingstechnieken waarbij geen gebruik wordt gemaakt van de afstanden tussen scores, maar alleen van het hoger of lager zijn van een score in vergelijking met andere scores.
(Frequentie)tabel
Een overzicht van de verdeling van frequenties behorende bij de waarde, of klasse van waarden van een bepaald kenmerk.
Cumulatief percentage
Is de som van de percentages behorende bij een specifieke waarde en de percentages van alle waarden die lager zijn.
Klassenindeling
Het groeperen van waarden als er sprake is van veel waarden, zoals bij leeftijd.
Kruistabel
Een tabel waarin de frequentie van de combinatie van waarden van twee nominale variabelen wordt weergegeven. De kleinste kruistabel is een 2x2-tabel.
Staafdiagram
Een grafiek waarin de hoogte van staven de frequenties van de waarden van een nominaal gemeten variabele representeren.
Cirkeldiagram
Een grafiek in de vorm van een cirkel, waarbij de grootte van de punten de frequenties van de waarden van een nominaal gemeten variabele representeren.
Histogram
Een grafische weergave van de frequenties van de waarden van een variabele op interval- of rationiveau in de vorm van aaneengesloten staven, waarbij een staaf een bepaald klasseninterval van waarden representeert.
Normaalverdeling
Verdeling die wat betreft vorm mooi symmetrisch is en een aflopende dichtheid heeft in beide staarten van de verdeling.
Scheefheid
Mate waarin de vorm van een verdeling nietsymmetrisch is; we onderscheiden daarbij rechtsscheef (uitloper naar rechts) en linksscheef (uitloper naar links).
Uitbijter
Een waarde die sterk afwijkt van de andere gevonden waarden.
Spreidingsdiagram
In een spreidingsdiagram vertegenwoordigt iedere punt de waarde op twee variabelen (x,y) voor een respondent, waardoor het een indicatie geeft voor de samenhang tussen beide variabelen.
Regressielijn
De grafische weergave in de vorm van een lijn van het best passende verband tussen twee variabelen. Wordt gebruikt om y op basis van x te voorspellen.
Correlatie
Statistische maat waarmee de sterkte van de samenhang tussen twee variabelen (van ten minste intervalmeetniveau) wordt aangegeven; bijvoorbeeld tussen hypotheeklasten en inkomen.
Negatief verband
Verband tussen twee variabelen, waarbij een hogere score op de ene variabele samengaat met een lagere score op de andere variabele en andersom.
Positief verband
Verband tussen twee variabelen, waarbij een hogere score op de ene variabele samengaat met een hogere en lagere score op de ene variabele met een lagere score op de andere variabele.
Gemiddelde
Het gemiddelde is een centrummaat, waarbij de som van alle waarden gedeeld wordt door het aantal waarden.
Mediaan
Beschrijvende statistische centrummaat: de waarde waaronder en waarboven evenveel scores vallen.
Modus
Beschrijvende statistische centrummaat: de score die in een frequentieverdeling het meest voorkomt.
Range
Een spreidingsmaat; het verschil tussen de hoogst en laagst gevonden waarde.
Variantie
Een spreidingsmaat, de gemiddelde gekwadrateerde aftstand tot het gemiddelde.
Standaarddeviatie
De wortel uit de variantie, een maat voor de spreiding van scores.
Steekproefvariantie
Een spreidingsmaat voor de steekproef, de som van de gekwadrateerde aftstanden tot het gemiddelde, wordt gedeeld door de steekproefgrootte minus 1.
Kurtosis
Is een maat voor de relatieve steilheid van een normaalverdeling.
Standaardfout
De standaardafwijking van het steekproefgemiddelde. Naarmate de standaardfout groter is, speelt toeval een grotere rol en zijn de betrouwbaarheidsmarges waarbinnen je een populatiegemiddelde voorspelt groter.
T-toets
In geval van een steekproef wordt getoetst wat de kans is om een gevonden steekproefgemiddelde te vinden, afgezet tegen een verondersteld populatiegemiddelde. Bij twee steekproeven wordt getoetst wat de kans is om een verschil in twee steekproefgemiddelden te vinden afgezet tegen de veronderstelling dat er in de populatie geen verschil is.
Onafhankelijke steekproeven
Steekproeven waarbij de meting in de ene steekproef onafhankelijk is van de meting in de andere steekproef.
Afhankelijke steekproeven
Steekproeven waarbij de meting in de ene steekproef afhankelijk is van de meting in de andere steekproef, zoals voor nametingen bij dezelfde eenheden het geval is.
Vrijheidsgraden
Het geschatte aantal onafhankelijke waarden in een statistische test.
Eenzijdige toetsing
Bij steekproeven is hier sprake van wanneer je verschillen of samenhangen toetst en al een verwachtingen vooraf hebt.
Tweezijdige toetsing
Bij steekproeven is hier sprake van wanneer je verschillen of samenhangen toetst maar nog geen verwachting vooraf hebt.
Chi-kwadraattoets
Een statistische toets om te berekenen hoe groot de kans is dat een gevonden frequentieverdeling bij een categorische/nominale variabele op toeval berust.
Gefundeerde theoriebenadering
In deze benadering wordt geprobeerd vanuit de analyse van ruwe kwalitatieve data tot de ontwikkeling van een theorie te komen.
Iteratief proces
Een proces van voortdurend passen en meten.
Labeling
Een vorm van datareductie, door het toekennen van labels aan bijvoorbeeld interviewfragmenten.
Open coderen
Het toekennen van labels aan bijvoorbeeld interviewfragmenten, waarbij je zo dicht mogelijk bij de inhoud van het fragment probeert te blijven.
Axiaal coderen
Het ordenen van de bij de open codering gemaakte labels in relevante rubrieken of categorieën.
Selectief coderen
Het integreren van de coderingscategorieën in een model.
Etnografisch onderzoek
Bij etnografisch onderzoek maak je deel uit van de omgeving van de respondenten en beschrijf je de leefomgeving/cultuur.
Participerend onderzoek
Veldonderzoek waarbij de onderzoeker meedoet aan bepaalde activiteiten van de groep of groepen die hij bestudeert. De onderzoeker stelt zich op als actief groepslid.
Casestudie
Een gedetailleerde en intensieve studie van één of enkele eenheden die als voorbeeld moet dienen voor het te bestuderen fenomeen.
Editing
Een wat globalere manier van het analyseren van teksten dan in de gefundeerde theoriebenadering.
Sensitizing concept
Een richtinggevend begrip bij de analyse van kwalitatief onderzoeksmateriaal.
Template benadering
Bij een template benadering heb je al een meestal theoretisch uitgangspunt dat dient om een coderingssysteem te ontwikkelen, dat je gebruikt om kwalitatieve gegevens te analyseren.
Subjectiviteit
Interpretaties die gestuurd worden door de ideeën en gevoelens van de onderzoeker.
Plausibiliteit
De aannemelijkheid: hoe geloofwaardig is het gevonden onderzoeksresultaat?
Geldigheid
In kwalitatief onderzoek veel gebruikt woord als alternatief voor validiteit.
Triangulatie
Het analyseren van een probleem vanuit verschillende invalshoeken, bijvoorbeeld door gebruik te maken van verschillende dataverzamelingstechnieken.
Audit trail
Het bijhouden van alle onderzoeksbeslissingen en wijzigingen in bijvoorbeeld een logboek.
Peer debriefing
Het laten lezen en beoordelen van je analyses door niet bij het onderzoek betrokken collega's.
Member checking
Het laten lezen en beoordelen van je analyses door personen die deel uitmaken van de onderzoeksgroep.
Negatieve caseanalyse
Het zoeken naar cases die een theorie niet steunen.