Only $35.99/year

VIII.B Administratief goederenrecht: Onteigening en opeising

Terms in this set (69)

De vergoeding vertrekt steeds vanuit de objectieve - venale - waarde van het te onteigenen goed. Berekening:
- Men gaat uit van de prijs bij een in normale omstandigheden gehouden verkoop
- Rekening houdend met alle gebruikelijke waardebepalende factoren
- Inclusief de normale te verwachten toekomstvooruitzichten

Op deze berekeningswijze gelden 4 belangrijke nuanceringen of afwijkingen die in het Vlaams Onteigeningsdecreet uitdrukkelijk worden gecodificeerd:
- Geen rekening houden met de waardevermeerdering of -vermindering die voortvloeit uit het doel van de onteigening zelf of uit de uitvoering van werken waarvoor de onteigening is toegestaan. De onteigeningen die achtereenvolgens plaatsvinden voor hetzelfde doel, worden als één geheel beschouwd bij de schatting van de waarde van de onteigende onroerende goederen ('doelneutraliteit')
- Geen rekening houden met de waardevermeerdering die het goed heeft verkregen voor onwettig uitgevoerde werken, handelingen of veranderingen
- Geen rekening gehouden met de mogelijke waardevermindering of -vermeerdering die voortvloeit uit de mogelijke voorschriften van een ruimtelijk uitvoeringsplan, plan van aanleg, voorkeursbesluit of projectbesluit, ongeacht wie de onteigenende overheid is. Achtereenvolgende onteigeningen worden gezien als één geheel indien het ruimtelijk uitvoeringsplan, etc. niet meer dan vijf jaar voor het nemen van het definitief onteigeningsbesluit definitief is vastgesteld ('planonlogische neutraliteit').
- Bij een onteigening waarbij de onteigenende instantie op het ogenblik van de onteigening van rechtswege saneringsplichtig wordt, wordt bij het bepalen van de onteigeningsvergoeding rekening gehouden met de geraamde kosten van het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering. Dit is niet het geval als de saneringsplicht VOOR de onteigening rust op of gevestigd is op de exploitant of op de gebruiker van de te onteigenen grond.
Een waarde waarvan het bedrag door factoren van persoonlijke aard beïnvloed kan worden.
Rechtspraak houdt rekening met geschiktheids- en affectatiewaarde van een goed:
Geschiktheidswaarde:
Waarde van een goed voor de eigenaar wegens de specifieke inrichting ervan, bv. inrichting woning aangepast aan fysieke handicap eigenaar.
Affectatiewaarde:
De bijzondere affectieve waarde die het goed voor de onteigende had, bv. wegens langdurige bewonen door verschillende opeenvolgende familiegeneraties.

Vergoeding voor wederbelegging
Bedoeld om de kosten te dekken die de onteigende zal moeten maken wanneer hij zich een nieuw onroerend goed wil aanschaffen, zoals notaris, registratie-, en overschrijvingskosten. Moet ook worden toegekend indien vaststaat dat de onteigende niet opnieuw een nieuw onroerend goed zal aankopen.

Wachtintresten
Voor de onteigende, omdat ervan uitgegaan wordt dat het voor hem niet steeds mogelijk is om onmiddellijk een passend goed aan te kopen en de uitgekeerde vergoeding aldus gedurende enige tijd geen behoorlijke opbrengst heeft. (praktijk neemt de laatste jaren af).

Waardermindering van overblijvend gedeelte
Indien de onteigening een waardevermindering van het overblijvend gedeelte tot gevolg, dan moet de onteigende voor die waardevermindering schadeloos worden gesteld.

Verlies van cliënteel
Voor handelaars en beoefenaars van vrije beroepen geeft ook het verlies van cliënteel aanleiding tot vergoeding, in zoverre het cliënteel nauw verbonden is met de bepaalde ligging.
Worden geregeld door een reeks uiteenlopende wetten, enkele voorbeelden:
- Artikel 134bis van de Nieuwe Gemeentewet bepaalt dat de burgemeester, op verzoek van de voorzitter van het OCMW het recht heeft elk gebouw dat meer dan zes maanden verlaten is, op te eisen voor de huisvesting van daklozen;
- De Programmawet van 2 januari 2001 (art. 74) laat de minister voor maatschappelijke integratie toe om met het oog van de opvang van asielzoekers verlaten gebouwen op te eisen;
- De wet van 8 juli 1964 'betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening', bepaalt dat artsen verplicht zijn gevolg te geven aan de opvordering van een bevoegde overheid (art. 4);
- Het KB nr. 78 van 10 november 1967 'betreffende de uitoefening van de gezondheidsberoepen voorziet in mogelijkheid om apothekers ertoe te verplichten tot het inrichten of aanvullen van wachtdiensten (art. 9, § 3);
- Wet van 16 oktober 2009 'die machtigingen verleent aan de Koning in geval van een griepepidemie of pandemie' (gezondheidszorg)
De wet van 19 augustus 1948 'betreffende de prestaties van algemeen belang in vredestijd' bepaalt dat de Paritaire Comités voor de ondernemingen (van de private sector) die onder hun bevoegdheid vallen, de maatregelen prestaties en diensten moeten bepalen welke moeten worden verzekerd ingeval van collectieve en vrijwillige stopzetting van de arbeid of ingeval van collectieve afdanking van het personeel om de bevrediging van bepaalde levensbehoeften te verzekeren, dringende werken uit te voeren of taken te volbrengen die geboden zijn door overmacht of door een onvoorzienbare noodzakelijkheid bepaalt dat de paritaire comité.
Artikel 2 van de wet van 27 maart 2020 'die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II)' bepaalde dat de Koning, teneinde (= finaliteit) het België mogelijk te maken te reageren op de coronavirus COVID-19 epidemie of pandemie en de gevolgen ervan op te vangen, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in artikel 5, § 1, 1° tot 8°, van diezelfde wet bedoelde maatregelen kan nemen.
Deze wet is opgeheven m.i.v. 30 juni 2020. Het genoemde artikel 5, § 1, 2° en 5° van de COVID-19 (II)-wet bepaalde dat met het oog op de in artikel 2 bedoelde doelstellingen de Koning maatregelen kon nemen om (onder meer):
- De noodzakelijke logistieke en opvangcapaciteit, met inbegrip van de bevoorradingszekerheid, te vrijwaren of erin bijkomend te voorzien (artikel 5, § 1, 2°). In de toelichting bij die bepaling wordt expliciet verwezen naar Boek XVIII van het WER;
- Aanpassingen door te voeren in het arbeidsrecht en het socialezekerheidsrecht, met het oog op de bescherming van de werknemers en van de bevolking, de goede organisatie van de ondernemingen en de overheid, met vrijwaring van de economische belangen van het land en de continuïteit van de kritieke sectoren (artikel 5, § 1, 5°). In de toelichting bij deze bepaling wordt uitdrukkelijk verwezen naar de mogelijkheid om onder meer de wet van 19 augustus 1948 'betreffende de prestaties van algemeen belang in vredestijd' alsook de wet van 12 mei 1927 'op de militaire opeisingen' (die ook in vredestijd geldt), te wijzigen en aan te passen.
Krachtens artikel 544, in fine B.W. (oud), zoals het geldt tot 31.08.2021, wordt aangenomen dat de overheid het recht heeft het eigendomsrecht te beperken, zonder dat hiervoor in de regel een vergoeding moet worden betaald.
(toekomend recht: Ook artikel 3.50 B.W. (nieuw) bepaalt, op een gelijkaardige wijze, dat het eigendomsrecht aan de eigenaar rechtstreeks het recht verleent om het voorwerp ervan te gebruiken, hiervan het genot te hebben en erover te beschikken. De eigenaar heeft de volheid van bevoegdheden, "behoudens de beperkingen die door wetten, verordeningen of door de rechten van derden worden opgelegd")

2. Wat EAN betreft, was het traditionele uitgangspunt dat het vestigen ervan geen recht op vergoeding verleent tenzij de wet-of decreetgever er anders over beslist. Bovendien moe(s)t de vergoeding niet volledig of integraal zijn zoals dat bij de onteigening het geval is.
Dit strakke uitgangspunt ("geen vergoeding, tenzij...") moet inmiddels worden genuanceerd door ontwikkelingen in de rechtspraak (EHRM, HvC, GwH) in het licht van enerzijds artikel 1 Eerste Protocol EVRM (cfr. supra) en anderzijds de toepassing van het GBOL ("Gelijkheid van de Burgers voor de Openbare Lasten" dat een algemeen rechtsbeginsel is met grondwettelijke waarde).

3. De vergoeding is niet integraal maar beoogt de bovenmatige hinder te compenseren.

4. Niettemin, blijft het uitgangspunt nog gelden in die zin dat (behoudens uitdrukkelijke andersluidende wettelijke regeling) de benadeelde (via gerechtelijke weg) moet aantonen dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 1 Eerste Protocol resp. GBOL. Het evenredigheids- of proportionaliteitsbeginsel fungeert daarbij als leidraad wat het bepalen van de hoogte van de vergoeding betreft.

5. Wanneer de regelgeving geen vergoedingsregeling bevat, is het volgens het GwH de taak van de rechter om "het beginsel van de gelijkheid van de burgers voor de openbare lasten toe te passen, en daarbij rekening te houden met alle concrete elementen van openbaar en privaat belang, alsook de redelijke verwachtingen van de burgers in verband met de solidariteit die van hen wordt gevraagd"