219 terms

woorden CE VMBO Frans | zie ook www.nufransleren.nl

STUDY
PLAY
près de
bij, dichtbij, ongeveer
à travers
door ( heen )
à côté de
naast
sur
op, over
depuis
sinds
pour
voor, om te
à cause de
vanwege
jusqu'à
tot, tot aan
pendant
tijdens, gedurende
sans
zonder
avec
met
d'après ces lignes
volgens deze regels
malgré
ondanks
à propos de
met betrekking tot, over, n.a.v.
entre
tussen
réussir
slagen
interdire
verbieden
détester
haten
empêcher
beletten, verhinderen
mesurer
meten
rencontrer
ontmoeten
raconter
vertellen
travailler
werken
voyager
reizen
promettre ( promis )
beloven ( beloofd )
oublier
vergeten
obliger
verplichten
avoir l'air
eruit zien
arrêter
stoppen
avoir envie
zin hebben
avoir peur
bang zijn, angst hebben
avoir raison
gelijk hebben
avoir tort
ongelijk hebben
avoir besoin
nodig hebben
tomber amoureux
verliefd worden ( to FALL in love )
tomber malade
ziek worden ( to FALL ill )
être en train
bezig zijn
être occupé
bezig zijn, bezet zijn
adorer
dol zijn op
acheter
kopen
appeler
opbellen, bellen, roepen, noemen
rendre visite
bezoeken
ouvrir ( ouvert )
openen ( geopend, open )
rentrer
thuiskomen, naar binnen gaan
changer
veranderen, wisselen
essayer
proberen, passen
quitter
verlaten
recevoir
ontvangen
rêver
dromen
réfléchir
nadenken
ressembler à
lijken op
suivre ( je suis, j'ai suivi )
volgen ( ik volg, ik heb gevolgd )
découvrir ( découvert )
ontdekken ( ontdekt )
voir ( ils voient, j'ai vu, je verrai )
zien ( zij zien, ik heb gezien, ik zal zien )
avoir du mal
moeite hebben
avoir mal
pijn hebben
choisir
kiezen, uitzieken
arriver
aankomen maar ook: gebeuren/overkomen
voyager
reizen
vivre ( il vit, il vivait, il a vécu )
leven, wonen ( hij leeft, leefde, heeft geleefd )
devenir
worden
revenir
terugkomen
prévenir
voorkomen, waarschuwen
venir
komen
ignorer
niet weten
regretter
betreuren, spijt hebben
devoir (je dois, je devais, j'ai dû )
moeten , zullen ( ik moet, moest, heb moeten )
exister
bestaan ( il existe - er bestaat, er bestaan )
ête à l'aise
op je gemak zijn
sentir
ruiken, voelen
se sentir ( je me sens )
zich voelen ( ik voel me )
dépenser
uitgeven
gagner
winnen, verdienen
aider
helpen
mettre fin à
een einde maken aan
j'aurai
ik zal hebben
ça sera
het zal zijn
il pourra
hij zal kunnen
je voudrais
ik zou willen, ik wil graag
on ferait
men zou doen, we zouden doen
que je fasse
dat ik doe
je me souviens
ik herinner me
il a été
hij is geweest
il y a
er is / er zijn
il y a une année
een jaar geleden ( il y a + tijdsbepaling )
interdit
verboden
partout
overal
loin
ver
ici
hier
le monde entier
de hele wereld
y
er
la sortie
de uitgang
daar
là-bas
daarginds
nulle part
nergens
toujours
altijd, nog altijd, nog steeds
maintenant
nu
aujourd'hui
vandaag, nu, tegenwoordig
demain
morgen
hier
gisteren
la semaine prochaine
de volgende week
la semaine passée
de vorige week
ensuite
vervolgens
pendant
gedurende, tijdens
tard
laat
tôt
vroeg
la journée
de dag ( NB le voyage = de reis )
le mois
de maand
l'an
het jaar
l'année
het jaar
l'année dernière
vorig jaar
la dernière année
het laatste jaar
après
na
avant
voor
un jour
een dag, op een dag
immédiatement
onmiddellijk, meteen
tout de suite
onmiddellijk, meteen
l'été
de zomer
l'hiver
de winter
l'automne
de herfst
le printemps
de lente
l'après-midi
de middag, 's middags
le soir
de avond, 's avonds
le matin
de ochtend. 's ochtends
la nuit
de nacht, 's nachts
quand
wanneer, toen
lorsque
wanneer, toen
en ce temps
in die tijd
tout à coup
opeens, plotseling
au début
in het begin
à la fin
aan het eind
longtemps
lang, lange tijd
souvent
vaak
plus souvent
vaker
le plus souvent
meestal
chaque mois
elke maand
embêtant
vervelend
bien
goed
mal
slecht, pijn
pas mal
niet slecht
j'ai mal
ik heb pijn
malade
je suis m ziek
mieux bw
beter
meilleur
beter
bête
stom
amoureux/ -se
verliefd
incroyable
ongelooflijk
soigné
verzorgd
déçu
teleurgesteld
ennuyeux
vervelend
facile
makkelijk
difficile
moeilijk
dur
hard, moeilijk
célèbre
beroemd
heureusement
gelukkig
malheureusement
helaas
C'est dommage
jammer ( ook: Tant pis !!!!! )
trop
te veel
très
heel
peu
weinig
un peu
een beetje
plutôt
tamelijk
au moins
minstens
moins
min, minder
mois
maand
beaucoup
veel
pas du tout
helemaal niet
ne...rien
niets
ne....plus
niet meer
ne ...jamais
nooit
ne....rien
niets
ne....personne
niemand
ne....que
slechts
seulement
alleen, slechts
énormément de choses
super veel
beaucoup plus
veel meer
ni........ni.........
noch... noch...
pas trop
niet teveel
tout le monde
iedereen
autre chose
iets anders
seulement
slechts, alleen
ne.....que
slechts
mais
maar
pourtant
toch
par contre
daarentegen
parce que
omdat
puisque
aangezien, omdat
comme
omdat ( maar ook: als, zoals )
si
als, indien ( maar ook: of, so, jawel )
à condition que
op voorwaarde dat
ne....pas
niet
ne....pas encore
nog niet
ne....rien
niets
ne....plus
niet meer
ne ...jamais
nooit
ne....personne
niemand
ne....que
slechts
ne...aucun(e)
geen enkele
surtout pas
vooral niet
quand même
toch
comme
als, zoals, toen, omdat
vraiment
echt
seulement
slechts
ne.....que
slechts
environ
ongeveer ( les environs = de omgeving )
sans doute
waarschijnlijk, zeker
bien sûr
natuurlijk
peut-être
misschien
plutôt
tamelijk, nogal
donc
dus
comme si
alsof
vraiment
echt
en moyenne
gemiddeld
Qu'est-ce qui est vrai ?
Wat is waar ?
la manière dont
de manier waarop
les devoirs
het huiswerk
le devoir
de plicht
plus tôt
vroeger
plutôt
tamelijk, nog al