100 terms

top 100 woordjes bij het Centraal Examen Frans | zie ook www.nufransleren.nl

bij Quizlet Frans leren met nufransleren.nl
STUDY
PLAY
ainsi
zo ( bijvoorbeeld )
bien sûr
natuurlijk
désormais
voortaan, tegenwoordig
surtout
vooral
selon
volgens
puisque
aangezien, immers
puis
toen, dan, verder, daarna
depuis
sinds
dont
waarvan ( waarmee )
donc
dus
peut-être
misschien
tard
laat
si
1. als, indien | 2.of | 3. z0 | 4. jawel
aussi
ook | zo | aan begin v.e. zin: daarom
à peine
nauwelijks
avec peine
met moeite
bien
goed, wel
tant que
zolang
au cours de
in de loop van
près de
bij, bijna, ongeveer
quelque 200
ongeveer 200
tout à fait
helemaal
alors que
terwijl
bien que
hoewel
avant que
voordat
dès que
zodra
pour que
opdat, zodat
afin que
opdat, zodat
quoique
hoewel
quoi que
wat..ook
certes
zeker ( maar )
or
welnu
cependant
echter, evenwel
pourtant
toch
ne -- guère
nauwelijks
trop
te, te veel
à propos de
over, ten aanzien van
peu
weinig
partout
overal
aussitôt
onmiddellijk
en effet
want, inderdaad
dans le domaine de
op het gebied van
apprendre
leren, vernemen, vertellen
sans que
zonder dat
toutefois
echter, evenwel
toujours est-il que
hoe het ook zij
lorsque
terwijl
plutôt
liever, eerder
de sorte que
zodat
à tort
ten onrechte
aussi----que
even----als
sans doute
waarschijnlijk
en vain
tevergeefs
comme
1. zoals | 2. omdat | 3. toen
parmi
onder, temidden van
bientôt
spoedig
lors de
tijdens
ailleurs
elders
d' ailleurs
trouwens
par ailleurs
overigens, verder
jadis
vroeger
ne -- que
slechts
tandis que
terwijl
naguère
onlangs
le lendemain
de volgende dag, kort na
la veille
de vorige dag, kort voor
en fin de compte
tenslotte
soit --- soit
of...of, hetzij..hetzij
tantôt --- tantôt
nu eens..dan weer, soms...soms
en revanche
daarentegen
tout au plus
hoogstens
davantage
meer
Il s'agit de
Het betreft
ignorer
niet weten, negeren
affirmer
beweren, zeggen
confirmer
bevestigen
à la fois
tegelijk
fit/firent
passé simple van faire
fut/furent
passé simple van faire
soit/soient
subjonctif van être
puisse/puissent
subjonctif van pouvoir
ait/aient
subjonctif van avoir
un avantage
een voordeel
un désavantage
een nadeel
diminuer
verkleinen, afnemen
augmenter
vergroten, toenemen, stijgen ( v. prijzen )
surmonter
tebovenkomen
aisé
welgesteld, rijk
mal
slecht
bien des
heel veel
pas mal de
heel wat
par conséquent
derhalve
restreint (van restreindre)
beperkt
quant à
wat betreft
malgré
ondanks
permettre
toetsaan, mogelijk maken
à l'égard de | à cet égard
ten aanzien van | wat dat betreft
Il semble
Het schijnt
outre
behalve, buiten
sauf
behalve