309 terms

Ne confondez pas ! | Verwar niet ! | niveau leerjaar 4-5-6 | zie ook www.nufransleren.nl

Quizlet Frans leren met nufransleren.nl
STUDY
PLAY
habiter
wonen
l'habitude
de gewoonte
d'habitude
gewoonlijk, meestal
s'habiller
zich (aan)kleden
un habitant
een inwoner, bewoner
un habitué
een vaste klant
être habitué
gewend zijn
habile
handig
l'augmentation
de toename
l'argumentation
de argumentatie
utiliser
gebruiken
user
(ver)slijten
user de
gebruiken
utile
nuttig
l'utilisateur
de gebruiker
un avantage
een voordeel
davantage
meer
un désavantage
een nadeel
avantageux
voordelig
peindre
schilderen
pendre
ophangen
entretenir
onderhouden
l'entretien
het onderhoud, het gesprek
tenir
(vast)houden
retenir
tegenhouden, onthouden
détenir
vasthouden, in hechtenis houden
contenir
bevatten
appartenir
toebehoren
adopter
aannemen
adapter
aanpassen
l'adaptation
de aanpssing, de bewerking
l'adoption
de adoptie, aanname
affirmer
beweren, zeggen
confirmer
bevestigen
se rendre
zich begeven, zich overgeven
rendre
teruggeven
rendre + bijv. nw.
maken
mettre
leggen, zetten
se mettre à
beginnen
promettre
beloven
permettre
toestaan, mogelijk maken
obliger
verplichten
oublier
vergeten
venir
komen
venir de + inf.
zojuist
prévenir
waarschuwen, voorkómen
revenir
terugkomen
convenir
overeenkomen
c'est convenu
dat is afgesproken
près de
bij, bijna, ongeveer
presque
bijna
douter de + subj.
twijfelen aan
se douter de
vermoeden
Je m'en doutais
Dat dacht ik al
redouter
vrezen
maintenant
nu
malheureusement
helaas
puis
toen, dan, daarna, verder
puisque
aangezien, immers
depuis
sinds
soigner
verzorgen
saigner
bloeden
songer
dromen
signer
tekenen
le signe
het teken
le singe
de aap
singer
naäpen
sûr
zeker
sur
op
bien sûr
natuurlijk
voyager
reizen
travailler
werken
du
1. samentrekking de + le 2. delend lidwoord: niet vertalen
dû à / due à
te danken, te wijten
certain
zeker
certain(s) (es)
sommige
certes
zeker ( maar...)
une centaine/des centaines
een honderdtal / honderden
ne — guère
nauwelijks
la guerre
de oorlog
naguère
onlangs
recevoir ( reçu )
ontvangen
décevoir ( déçu )
teleurstellen
décevant
teleurstellend
la déception
de teleurstelling
la réception
de ontvangst, de receptie
apercevoir
opmerken
l'or
het goud ( une montre en or )
Or
welnu ( aan begin van een zin )
car
want
un car
een touringcar, een bus
surtout
vooral
partout
overal
tromper
bedriegen
se tromper
zich vergissen
remettre
1. uitstellen 2. overhandigen
raconter
vertellen
rencontrer
ontmoeten
le droit
het recht
avoir le droit
het recht hebben, mpgen
la droite
rechts ( ook in politiek )
tout droit
rechtdoor
à droite
rechts
la voile
het zeil
le voile
de hoofddoek
il fait
hij doet/maakt (faire )
il faut
het is nodig, ik moet enz ( falloir )
le sol
de grond, de bodem
le soleil
de zon
inviter
uitnodigen
éviter
vermijden
un livre
een boek
une livre
een pond ( ook Engels Pond )
libre
vrij
gagner
1. winnen 2. verdienen
autrefois
vroeger
une autre fois
een andere keer
bien
goed, wel, erg
bien que ( + subj )
hoewel
pourquoi
waarom
C'est pourquoi
daarom
rappeler
1. terugbellen 2. in herinnering brengen
se rappeler
zich herinneren
se souvenir
zich herinneren
tôt
vroeg
aussitôt
onmiddellijk
bientôt
spoedig
à bientôt
tot gauw
un peu
een beetje
peu
weinig
peut-être
misschien
je peux, tu peux, il peut
present van pouvoir
j'ai pu
pc van pouvoir
il pleut, il a plu
het regent, het heeft geregend
il plaît, il a plu
hij bevalt, hij beviel
sauf
behalve ( die dus niet )
outre
behalve ( buiten, naast )
partir
vertrekken
à partir de
vanaf
une partie
een deel
un parti
een politieke partij
faire partie de
deel uitmaken van
le métier
het beroep, het vak
la matière
het schoolvak
il fit
hij maakte, deed ( PS van faire )
il fut
hij was/werd ( PS van être )
il eut
hij had/kreeg ( PS van avoir )
il sut
hij wist/kwam te weten ( PS van savoir )
le repas
de maaltijd
le repos
de rust
défendre
1. verbieden 2. verdedigen
arriver
aankomen
arriver à
erin slagen om
chercher
zoeken
chercher à
proberen om
entendre
1. horen 2. van plan zijn
...
2. van plan zijn
attendre
(ver)wachten
s'attendre à
verwachten
en attendant que
totdat
a cour
het hof
la cour de récréation
de speelplaats
le cours
de les
au cours de
in de loop van
la course
de wedstrijd
faire des courses
boodschappen doen
montrer
tonen., laten zien
monter
1. instappen, naar boven gaan ( hww être ) 2. naar boven brengen ( hww avoir )
descendre
1. naar beneden gaan, uitstappen ( être ) 2. naar beneden brengen ( avoir ) 3. neerschieten
comment
hoe
combien
hoeveel
le lieu
de plek
au lieu de
in plaats van
le lien
de band
si
1. als, indien 2. of ( je veux savoir si..) 3. zo 4. jawel ( antw op ontkennde vraag )
dommage
jammer ( C'est dommage ! )
les dommages
de schade
endommager
beschadigen
dédommager
schadeloos stellen
envoyer
sturen
renvoyer
wegsturen, van school sturen, ontslaan
embaucher
in dienst nemen
licencier
ontslaan
environ
ongeveer
les environs
de omgeving
l'environnement
het milieu
prévenir
1. voorkómen 2. waarschuwen
...
...
revenir
terugkomen
devenir
worden
avertir
waarschuwen
décider
beslissen
décéder
overlijden
le fils mv les fils
( uitspr. fies ) de zoon
le fil mv les fils
( uitspr. fiel ) de draad
la fille
1. het meisje 2. de dochter
quand
wanneer
si
1. als/indien 2. of 3. zo 4. jawel
lorsque = quand
wanneer
tout le monde
iedereen
le monde entier
de hele wereld
beaucoup de monde
veel mensen
Il y a du monde !
Het is druk !
devoir ( volt deelw. dû )
1. Moeten 2. te danken hebben 3. verschuldigd zijn
le devoir
de plicht
les devoirs
het huiswerk
ailleurs
elders
d'ailleurs
trouwens
par ailleurs
overigens, verder
important
belangrijk
pourtant
toch
quand-même
toch
aussi
ook
Aussi ( begin zin )
dan ook, daarom
aussi ... que
even ....als
ne..pas
niet
ne..plus
niet meer
ne..jamais
nooit
ne..personne
niemand
ne..que
slechts
ne..rien
niets
mener
leiden, brengen
amener / apporter
meenemen ( naar spreker )
emmener / emporter
meenemen ( van spreker weg )
à côté de
naast
du côté de
aan de kant van
à ses côtés
naast hem/haar
la côte
de kust
le côté
de kant
donc
dus
dont
waarvan, waarmee, waarop enz.
cesser
stoppen
Il ne cesse de pleuvoir
Het blijft maar regenen
céder
wijken, toegeven
bail à céder
te huur
empêcher
beletten
s'empêcher de
zich beletten..
Il ne pouvait s'empêcher de rire
Hij kon zijn lachen niet inhouden
le poison
het vergif
le poisson
de vis
après
na, daarna
d'après
volgens
après que
nadat
auprès de
bij
réussir à
erin slagen om..
parvenir à
erin slagen om
attendre
wachten
atteindre
bereiken
s'attendre à
verwachten
tôt
vroeg
plus tôt
vroeger, eerder
plutôt
liever, eerder, nogal, tamelijk
aussitôt
onmiddelijk
le poêle
de kachel
la poêle
de koekenpan
le chemin
de weg
la cheminée
de schoorsteen
disposer de
beschikken over
vide
leeg
vite
snel
a voix
de stem
la voie
de weg
la tour
de toren ( La Tour Eiffel )
le tour
de beurt, de ronde ( Le Tour de France )
devenir
worden
deviner
raden
mourir ( volt. deelw. mort )
sterven
tuer ( volt. Deelw. tué )
doden
Il s'est tué
Hij heeft zelfmoord gepleegd
Il s' est tu ( PC van se taire )
Hij hield zijn mond
assister
helpen, assisteren
assister à
aanwezig zij bij, bijwonen
vieille v.ev. bij vieux
oud
la veille
de vorige dag
veiller (à )
waken ( voor )
les cheveux
de haren
les chevaux
de paarden
une souris
een muis
un sourire
een glimlach
sourire
(glim)lachen
l'homme
1. de man 2. de mens
pouvoir
( pu ) kunnen
le pouvoir
de macht
les pouvoirs publics
de overheid
vouloir
( voulu ) willen
Je lui en veux
Ik ben boos op hem
moyen
gemiddeld
les moyens
de middelen, het geld
un moyen
een middel, een manier
la moyenne
het gemiddelde
afin que
opdat, zodat
pour que
opdat, zodat
pourvu que
als... maar !! ( hoop )
beau, belle, beaux, belles
mooi
la beauté
de schoonheid
avoir beau + ww
ook al + ww
demeurer
1. wonen 2. blijven
il voit ( voir )
hij ziet
il vit ( PS van voir )
hij zag
vivre
leven
il vit ( présent van vivre )
hij leeft
il vécut
( PS van vivre ) hij leefde
il vient ( venir )
hij komt
il vint ( PS van venir )
hij kwam
le nom
de naam
le nombre
het aantal
le prénom
de voornaam
le surnom
de bijnaam
le nom de famille
de achternaam
OTHER SETS BY THIS CREATOR