100 terms

100 werkwoorden bij eindexamen Frans | vanaf leerjaar 4 | zie ook www.nufransleren.nl

zie ook www.nufransleren.nl
STUDY
PLAY
Il ne cesse de pleuvoir
Het blijft maar regenen
Le train vient d'arriver
De trein is zojuist aangekomen
Il ne tardera pas à venir
Hij zal zo wel komen
Il n'y a que des problèmes
Er zijn alleen maar problemen
Il n'y a pas que des problèmes
Er zijn niet alleen maar problemen
Il finit par s'adapter
Tenslotte paste hij zich aan
Tout s'est bien passé
Alles is goed gegaan
Il y a de quoi se fâcher
Dat is om boos te worden
ignorer
niet weten
Je n'ignore pas que c'est vrai
Ik weet best dat dat waar is
douter de/douter que
twijfelen aan/betwijfelen of
se douter de
vermoeden
Je m'en doutais
ik vermoedde/dacht het al
prévenir
1. voorkómen 2. waarschuwen
prévoir
voorzien
avoir intérêt à faire qc
er belang bij hebben iets te doen
compter faire qc
van plan zijn iets te doen
utiliser
gebruiken
user
verslijten
user de
gebruiken
empêcher
beletten
cela n'empêche pas que
dat neemt niet weg dat..
assister à
aanwezig zijn bij
embaucher
in dienst nemen
licencier
ontslaan
renvoyer
ontslaan/wegsturen/v. school sturen/verwijzen
s'attendre à
verwachten
s'entendre avec
kunnen opschieten met
se mettre à faire qc
iets beginnen te doen
Il n'arrête pas de parler
Hij blijft maar praten
se débarrasser de
zich ontdoen van
Je n'en peux plus
Ik kan niet meer
Je t'en veux
Ik ben boos op je
Ça me manque
Ik mis dat
habiter
wonen
(s')habiller
(zich) aankleden
s'habituer à
wennen aan
se rendre compte
beseffen
réaliser
1. realiseren 2. zich realiseren
enseigner
onderwijzen
renseigner
inlichten
se renseigner
inlichtingen inwinnen
se méfier de
oppassen voor
dédommager
schadeloos stellen
démontrer
aantonen
convaincre ( convaincu )
overtuigen
appliquer
toepassen
abandonner
opgeven/in de steek laten
interdire ( interdit )
verbieden
De quoi s'agit-il ?
Waar gaat het over ?
chercher à faire qc
iets proberen te doen
se rapporter à
betrekking hebben op
s'adresser à
zich richten tot
rendre heureux
gelukkig maken
se rendre à
gaan naar
poursuivre
vervolgen/achtervolgen
disposer de
beschikken over
jouir de
genieten (van)
fournir
leveren
embellir
verfraaien
songer à
overwegen
Il naquit ( naître )
hij werd geboren
Il vécut ( vivre )
hij leefde
rejeter
verwerpen
accomplir
vervullen
résoudre
oplossen
souligner
benadrukken
aménager
inrichten
embêter
vervelen
s'ennuyer
zich vervelen
contribuer à
bijdragen tot
nier
ontkennen
enlever
weghalen/wegnemen
envisager
van plan zijn/overwegen
supporter
verdragen
faire face à
het hoofd bieden aan
remplacer
vervangen
arranger
1. regelen 2. uitkomen ( Ça m'arrange )
différer
1. verschillen 2. uitstellen
soupçonner
verdenken
lutter
strijden
épuiser
uitputten
Il ne me reste qu'à
ik hoef alleen nog maar...
médire
kwaadspreken
céder
wijken/toegeven
prétendre
1. beweren 2. willen
comparaître
verschijnen ( voor rechtbank )
réussir à
erin slagen om
contester
betwisten
revendiquer
eisen
inciter
aansporen
conquérir (conquis)
veroveren
susciter
opwekken
confondre
verwarren
fréquenter
omgaan met, bezoeken
avouer
bekennen
recueillir
verzamelen
concevoir
ontwerpen, bevatten
attribuer
toeschrijven aan
craindre
vrezen
OTHER SETS BY THIS CREATOR