21 terms

U30 portfolio

STUDY
PLAY
Kan ik met Alain spreken, a.u.b.?
Je peux parler à Alain, s.v.p.?
Hallo? Met wie spreek ik?
Allô? Qui est à l'appareil?
Het is niet het juiste nummer.
Ce n'est pas le bon numéro.
Ik heb hoofdpijn en buikpijn.
J'ai mal à la tête et au ventre.
Ik slaap slecht.
Je dors mal.
Heb je pijn aan je neus?
Tu as mal au nez?
Heb je pijn aan je ogen?
Tu as mal aux yeux?
Heb je pijn aan je vinger?
Tu as mal au doigt?
Heb je pijn aan je hand?
Tu as mal à la main?
Heb je pijn aan je voet?
Tu as mal au pied?
Ik ben gevallen.
Je suis tombé(e).
Ik heb pijn aan m'n been.
J'ai mal à la jambe.
Moet de dokter komen?
Le docteur doit venir?
De dokter is gekomen.
Le docteur est venu.
Ik moet een geneesmiddel nemen.
Je dois prendre un médicament.
Gaat het al beter?
Ça va déjà mieux?
Ja, het gaat al een beetje beter.
Oui, ça va déjà un peu mieux.
Excuseer, ik begrijp dat woord niet.
Pardon, je ne comprends pas ce mot.
Ik heb dat woord nog niet geleerd.
Je n'ai pas encore appris ce mot.
Sorry, ik heb niet goed begrepen.
Excusez-moi, je n'ai pas bien compris.
Kunt u die zin nog eens zeggen?
Vous pouvez dire cette phrase encore une fois?