How can we help?

You can also find more resources in our Help Center.

35 terms

Les gens, la famille, la vie, la mort 3

3
STUDY
PLAY
Célibataire
Vrijgezel, Ongehuwd
Le mariage
Het huwelijk
Marier
Uithuwelijken
Épouser
Huwen met, Trouwen met
Me marierai
Zal trouwen
Marié
Getrouwd, Gehuwd
Divorcé
Gescheiden
Ont divorcé
Hebben zich laten scheiden
Le divorce
De echtscheiding
Cohabite
Woont samen
Se mettent en ménage
Gaan samenwonen
De couples
Koppels, Paren
Mari
Man, echtgenoot
Un faire-part de mariage
Een trouwbrief, Een trouwbericht
Les jeunes mariés
De jonggehuwden
La mariée
De bruid
Jeune marié
De bruidegom
Un faire-part de décès
Een overlijdensbericht
L'enterrement
De begrafenis
Nom (de famille)
(familie)naam
Prénom
Voornaam
Nom de jeune fille
Meisjesnaam
Élevé(e)
Grootgebracht
Les grands-parents
Grootouders
Les petits-enfants
Kleinkinderen
Éduquer
Opvoeden
Éducation
Opvoeding
Beau-père
Stiefvader
Beau-fils
Stiefzoon
Belle-mère
Stiefmoeder
Belle-fille
Stiefdochter
Beaux-pères
Schoonvaders
Beaux-fils
Schoonzonen
De belles-mères
Schoonmoeders
Belles-filles
Schoondochters