41 terms

Dutch past tenses: weak and strong classes 1,2 and 3

STUDY
PLAY
rijden
reed
schrijven
schreef
ijken
ijkte
lachen
lachte
reizen
reisde
halen
haalde
vergaderen
vergaderde
roven
roofde
vegen
veegde
werken
werkte
passen
paste
bereiken
bereikte
verrassen
verraste
bieden
bood
liegen
loog
verliezen
verloor
vriezen
vroor
schuiven
schoof
kruipen
kroop
gieten
goot
sluiten
sloot
huilen
huilde
puilen
puilde
blijven
bleef
kijken
keek
grijpen
greep
winnen
won
glimmen
glom
zingen
zong
zinken
zonk
zenden
zond
zwemmen
zwom
melken
molk
bergen
borg
vergen
vergde
trekken
trok
rekken
rekte
vechten
vocht
drinken
dronk
klemmen
klemde
klimmen
klom
OTHER SETS BY THIS CREATOR