21 terms

Dutch wikibook vocabulary example 1

STUDY
PLAY
bibberen
to shiver
binnenkomen
to enter
braaf
good, obedient
eens
once
gauw
quickly
heerlijk
wonderful, delicious
het hondje
little dog
het kind
child
lekker
tasty
de melk
milk
het moment
moment
het poesje
pussycat
de rijst
rice
het schaapje
little sheep
smullen
to munch, enjoy food
de vrouw
woman, wife
het vuur
fire
wit
white
de wol
wool
de zak
bag
zeggen
to say
OTHER SETS BY THIS CREATOR