30 terms

Dutch wikibook vocabulary lesson 2

STUDY
PLAY

Terms in this set (...)

allebei
both
de auto
car
de boekhouding
bookkeeping, administration
de collega
colleague
echt
real, really
de fiets
bicycle
geloven
to believe
goedemorgen
good morning
het haar
hair
heten
to be called
hoog
high
het huis
house
inderdaad
indeed
interessant
interesting
lang
long
langzaam
slow, slowly
het meisje
girl
niet
not
nieuw
new
de nood
need, distress
praten
to chat
rood
red
spreken
to speak
toevallig
coincidental, random
uw
your (polite)
voorstellen
to introduce
vrij
free
waar
where
zeker
certain
zwart
black