35 terms

Dutch wikibook vocabulary lesson 5A

STUDY
PLAY

Terms in this set (...)

dronk
drank (past tense sing.)
dronken
drank (pas tense plur); drunk, inebriated
gedronken
drunk (perfect participle)
de drank
beverage
het drankje
drink (glass of something)
de koffie
coffee
de wijn
wine
het bier
beer
de advocaat
egg liqueur (~eggnog with spirits)
de limonade
lemonade
de appelsap
apple juice
bestellen
to order
beginnen
to begin
het glas
glass
aanbevelen
to recommend
de huiswijn
house wine
de autorijles
driving lesson
instappen
to step in, get in (a car)
de linkerkant
left side
de rechterkant
right side
de lesauto
instructional vehicle
constroleren
to check
het stoplicht
traffic light; robot
linker
left one
rechter
right one
links
left
rechts
right
de rijbaan
traffic lane
linksaf
to the left (turning)
rechtsaf
to the right (turning)
rechtuit
straight on
zakken
to lower, subside; to flunk (an exam)
het examen
exam; final test
slagen
to succeed; to pass (an exam)
de suiker
sugar