31 terms

nederlands

STUDY
PLAY
op zijn bek gaan
afgaan gezichtsverlies lijden
ludiek
speels lichtvoetig
suggeren
ingeven iemand iets laten denken
versus
tegen tegenover
persbureau
agentschap dat nieuwsberichten verkoopt aan kranten
huilenbak
voor het minste wenen
analyse
onderzoek naar hoe iets in elkaar zit
pendelen
dagelijks heen en weer reizen tussen woonplaats en je werk
algoritme
set regels in een bepaalde volgorde om problemen op te lossen
pygmee
mens van een dwergvolk hoofdzakelijk uit afrika
ombudsman
een persoon van de stadsdienst die klachten doorspeeld
razzia
inval
bühne
duits woord voor podium in een theater
schouwburg
gebouw dat speciaal is gebouwd voor toneelvoorstellingen
marketing
comercieel beleid om de verkoop te bevorderen
genadeloos
wreed
manipuleren
handig slim beïnvloeden
illusie
droombeeld
pittoresk
schilderachtig
raften
met een rubberboot een rivier bevaren
rodelen
sleeën
sceptisch
vol bedenking over de goede afloop twijfelen
bibliothecaris
persoon die in een bibliotheek werkt
procedure
een reeks instructies die op volgorde moeten worden ingevoerd
alternatif
een andere oplossing
de draak steken met
voor de gek houden
interpreteren
begrijpen
focussen
scherp stellen
registreren
weergeven
illustreren
aantonen met een voorbeeld
creëren
maken scheppen