53 terms

Dutch wikibook Les 9A

STUDY
PLAY

Terms in this set (...)

het horloge
watch
de wekker
alarm clock
de klok
clock
de wijzer
hand, pointer, indicator
de eeuw
century
het jaar
year
de maand
month
de week
week
de minuut
minute
de seconde
second
het heden
present
de toekomst
future
het verleden
past
vandaag
today
morgen
tomorrow
overmorgen
day after tomorrow
eergisteren
day before yesterday
onlangs
recently
voortaan
from now on
sindsdien
from then on
soms
sometimes
zelden
seldom
dagelijks
daily
altijd
always
nooit
never
toen
then (in past)
dan
then (in future)
bezorgd
worried
de gezondheid
health
voelen
to feel
de dokter
doctor
het ogenblik
moment
traag
slow, sluggish
de patiënt
patient (male)
de patiënte
patient (female)
het ziekenhuis
hospital
beschikbaar
available
de spreekkamer
doctor's office
schelen
to differ; to be wrong, to be mising
de pijn
pain
de buik
belly, abdomen (cf. Buick)
terug
back
onderzoeken
to investigate, examine
de bijzonderheid
particularity, detail
uitvinden
to find out; to invent
doorsturen
to forward, send on, refer
de internist
internist
afnemen
to tap off; to decrease
de assistente
assistant (female)
het bloed
blood
aanwezig
present
het bloedonderzoek
blood test
waarschijnlijk
probable, probably