358 terms

Frans herhaling vijfde leerjaar

STUDY
PLAY
aller à Namur
naar Namen gaan
avoir
hebben
à Paris
in Parijs
une adresse
een adres
j'ai
ik heb
tu as
jij hebt
il a
hij heeft
elle a
zij heeft
Quelle est ton adresse?
Wat is jouw adres?
avoir les cheveux noirs
zwart haar hebben
un âge
een leeftijd
Tu as quel âge?
Hoe oud ben jij?
avoir les yeux bleus
blauwe ogen hebben
avril
april
aller
gaan
aller chanter
gaan zingen
amoureux, amoureuse
verliefd
un ballon de foot
een voetbal
une basket
een basketbalschoen, sportschoen
un an
een jaar
le basket
het basketbal
J'ai 14 ans.
Ik ben 14 jaar.
le nouvel an
Nieuwjaar
jouer au basket
basketten, basketbal spelen
un animal
een dier
des animaux
dieren
beau, belle
mooi
Bonne année!
Gelukkig nieuwjaar
un anniversaire
een verjaardag
Il fait beau.
Het is mooi weer.
un bébé
een baby
Bon anniversaire!
Gelukkige verjaardag!
un Belge
een Belg
une Belge
een Belgische
août
augustus
un appartement
een appartement, flat
la Belgique
België
Ça va bien!
Het gaat goed!
Tu t'appelles comment?
Hoe heet jij?
blanc, blanche
wit
bleu, bleue
blauw
Je m'appelle Félix.
Ik heet Felix.
blond, blonde
blond
Il s'appelle comment?
Hoe heet hij?
bon, bonne
goed, lekker
Il s'appelle Cédric.
Hij heet Cédric.
bonjour
dag, goedendag
Vous vous appelez Durieux?
Heet u Durieux?
une botte
een laars
brun, brune
bruin
l' après-midi
's namiddags
un arbre
een boom
une armoire
een kast
Attention!
Opgelet! Let op!
aujourd'hui
vandaag
un bureau, des bureaux
een bureau, kantoor
aussi
ook
un bus
een bus
Je cherche aussi une gomme.
Ik zoek ook een gom.
en bus
met de bus
un autobus
een autobus
Ça va?
Gaat het? Alles goed?
Ça va bien.
Het gaat goed. Alles goed.
un cadeau, des cadeaux
een geschenk
un CD
een cd
une date
een datum
un chat
een kat
chatter
chatten
décembre
december
Il fait chaud.
Het is warm.
déjà
al
Il a déjà 16 ans.
Hij is al 16.
une chaussure
een schoen, schoeisel
demain
morgen
une chaussure de foot
een voetbalschoen
une chemise
een hemd
chercher
zoeken
derrière toi
achter jou
des livres
boeken
deux
twee
Je cherche un stylo.
Ik zoek een pen.
un cahier
een schrift
deuxième
tweede
devant la maison
voor het huis
cinq
vijf
cinquante
vijftig
cinquième
vijfde
une classe
een klaslokaal
un coin
een hoek
commencer
beginnen
d'où?
waarvandaan?
Tu es d'où?
Vanwaar ben je?
une douche
een douche
douze
twaalf
un DVD
een dvd
La leçon commence.
De les begint.
une école
een school
aller à l'école
naar school gaan
et
en
un garage
een garage
un étage
een verdieping
un garçon
een jongen
au premier étage
op de eerste verdieping
gentil, gentille
lief, aardig
une gomme
een gom
être
zijn
C'est chouette!
Dat is tof!
grand, grande
groot
une grand-mère
een grootmoeder
je suis
ik ben
tu es
jij bent
il est
hij is
elle est
zij is
un grand-père
een grootvader
des grands-parents
grootouders
C'est mon père.
Het is mijn vader.
Ce sont des livres.
Het zijn boeken.
excusez-moi
excuseer me, pardon, sorry
gris, grise
grijs
habiter
wonen, bewonen
j'habite
ik woon
une heure
een uur
un exercice
een oefening
faire
maken, doen
une famille
een gezin, familie
un fauteuil
een fauteuil, zetel
huit
acht
ici
hier
une femme
een echtgenote, vrouw
Il est d'Arlon.
Hij is van Aarlen.
une fenêtre
een raam
une fête
een feest, feestdag
une feuille
een blad
février
februari
une fille
een meisje
Il y a une table.
Er is een tafel.
Il y a des chaises.
Er zijn stoelen.
Ils sont forts.
Ze zijn sterk.
une fille
een dochter
un fils
een zoon
des fils
zonen
l' Internet
het internet
finir
eindigen
La leçon finit.
De les eindigt.
ne...jamais
nooit
janvier
januari
formidable
super geweldig, schitterend
un jeans
een jeans
fort, forte
sterk
le français
Frans
un Français
een Fransman
une Française
een Franse
un jeu
een spel
jeune, jeune
jong
joli, jolie
mooi
jouer
spelen
la France
Frankrijk
un frère
een broer
jouer au foot
voetbal spelen, voetballen
Il fait froid.
Het is koud.
Joyeux Noël!
Vrolijk kerstfeest!
Il va faire froid.
Het gaat koud zijn.
juillet
juli
juin
juni
une jupe
een rok
comment?
hoe? hoezo?
Comment ça va?
Hoe gaat het? Hoe maak je het?
écouter la radio
luisteren naar de radio
un élève
een leerling
content, contente
tevreden, blij
une élève
een leerlinge
cool
tof, cool, reuze
Elle est chouette.
Ze is tof.
un copain
een vriend, kameraad
une copine
een vriendin
Elles sont grandes.
Ze zijn groot.
court, courte
kort
en France
in Frankrijk
un crayon
een potlood
dans ma classe
in mijn klas
une cuisine
een keuken
danser
dansen
dans une heure
binnen een uur
un enfant
een kind
entre 30 et 35 ans
tussen 30 en 35
entrer
binnenkomen, naar binnen gaan
le carnaval
carnaval
un kilomètre
een kilometer
un mètre
een meter
à cent mètres
op honderd meter
la porte
de deur
l'armoire
de kast
la fille
het meisje
un métro
een metro
en métro
met de metro
daar
midi
middag
une lampe
een lamp
un lapin
een konijn
à midi
op de middag
om 12 uur
's middags
le garçon
de jongen
l'anniversaire
de verjaardag
le tableau
het bord
Il est midi.
Het is middag. Het is 12 uur.
mille
duizend
une leçon
een les
une minute
een minuut
une leçon de français
een les Frans
les garçons
de jongens
les filles
de meisjes
pour moi
voor mij
un lit
een bed
mon père
mijn vader
un living
een living
monsieur
meneer, mijnheer
montrer
tonen
un livre
een boek
habiter loin ver
veraf wonen
loin de l'école
ver van de school
long, longue
lang
une moto
een motor
faire de la musique
muziek maken
le néerlandais
het Nederlands
neiger
sneeuwen
Il neige.
Het sneeuwt.
orange, orange
oranje
un ordinateur
een computer
quand ça va bien
wanneer het goed gaat
une oreille
een oor
quand?
wanneer?
grand ou petit
groot of klein
ou
of
où?
waar?
C'est quand, ton anniversaire?
Wanneer is je verjaardag?
oui
ja
un pantalon
een broek
Pâques
Pasen
quarante
veertig
quatorze
veertien
quatre
vier
quatre-vingts
tachtig
quatrième
vierde
un parapluie
een paraplu
quel garçon?
welke jongen?
quelle fille?
welk meisje?
pardon
excuseer me, pardon
rentrer
terug naar huis gaan
pleuvoir
regenen
Il pleut.
Het regent.
pleuvoir
regenen
Il va pleuvoir.
Het gaat regenen.
un poisson
een vis
un portable
een draagbare telefoon, gsm
une robe
een jurk, kleedje
rose
roze
une porte
een deur
rouge
rood
porter un short
een short dragen
roux, rousse
ros, rossig, roodharig
pour Luc
voor Luc
une rue
een straat
être ici pour chanter
hier zijn om te zingen
sa mère
zijn of haar moeder
un short
een short
Ça va mal.
Het gaat slecht.
Il va neiger.
Het gaat sneeuwen.
neuf
negen
un nez
een neus
Noël
Kerstmis
noir, noire
zwart
un nom
een naam
non
nee
nonante
negentig
une maman
een mama
Nous sommes contents.
We zijn tevreden.
un mari
een echtgenoot, man
mars
maart
nouveau, nouvelle
nieuw
le matin
's morgens, 's ochtends
le nouvel an
Nieuwjaar
novembre
november
Il fait mauvais.
Het is slecht weer.
un numéro
een nummer
un numéro de téléphone
een telefoonnummer
mauve
mauve, paars
méga cool
keitof, cool, reuze
merci dank je
dank u
merci beaucoup
hartelijk bedankt
une mère
een moeder
mes parents
mijn ouders
octobre
oktober
un œil
een oog
des yeux
ogen
un oiseau
een vogel
des oiseaux
vogels
onze
elf
six
zes
un, une
één
une sœur
een zus
un stylo
een pen
soixante
zestig
une feuille
een blad
son père
zijn vader
sous l'armoire
onder de kast
Il va pleuvoir.
Het gaat regenen.
souvent
dikwijls, vaak
les vacances
de vakantie
le sport
de sport
un vélo
een fiets
faire du sport
sporten
à vélo
met de fiets
vert, verte
groen
un stylo
een balpen
sur la table
op de tafel
surfer sur Internet
surfen op het internet
sympa
sympathiek, aardig
une veste
een jasje, vest
un vêtement
een kledingstuk
des vêtements
kleding, kleren
vieux, vieille
oud
vingt
twintig
ta sœur
jouw zus
une table
een tafel
un tableau
een bord, schoolbord
vite
snel
Ça va vite
Dat gaat snel, vlug.
voici un stylo
hier is een pen
une télé
een tv, televisietoestel
voilà Julie
daar is Julie
un téléphone
een telefoon
le temps
het weer
une voiture
een auto
en voiture
met de auto
Quel temps fait-il?
Welk weer is het?
le tennis
het tennis
vos enfants
jullie kinderen
votre livre
jullie boek
tes parents
je ouders
pour toi
voor jou
Vous êtes jeunes!
Jullie zijn jong!
des toilettes
een toilet, wc
Vous êtes d'où?
Vanwaar bent u?
ton frère
je broer
des yeux
ogen
toujours
altijd, steeds
tout de suite
onmiddellijk, meteen
un train
een trein
un tram
een tram
treize
dertien
trente
dertig
un zéro
een nul
très content
zeer, heel, erg tevreden
triste
droevig, triestig
trois
drie
troisième
derde
un T-shirt
een T-shirt
Tu es Ellen!
Jij bent Ellen!