Study sets matching "dutch irregular"

Study sets
Classes
Users

Study sets matching "dutch irregular"

20 terms
Irregular verbs in Dutch 31-60
31. lezen-las-ik heb gelezen
32. vallen-viel-ik ben gevallen
33. trekken-trok-ik heb getrokken
34. bakken-bakte-ik heb gebakken
31. to read-read-I have read
32. to fall-fell-I have fallen
33. to pull-pulled-I have pulled
34. to bake-baked-I have baked
31. lezen-las-ik heb gelezen
31. to read-read-I have read
32. vallen-viel-ik ben gevallen
32. to fall-fell-I have fallen
131 terms
Irregular verbs Dutch -> English
ontwaken
zijn
slaan
worden
awake awoke awoken
be was were been
beat beat beaten
become became become
ontwaken
awake awoke awoken
zijn
be was were been
36 terms
Irregular verbs in Dutch 1-30
1.hebben-had-ik heb gehad
2.zijn-was-ik ben geweest
3.worden-werd-ik ben geworden
4.kunnen-kon-ik heb gekund
have-had-I have had
to be-was-I have been
to become-became-I have become
can-could ( 3 forms in Dutch)
1.hebben-had-ik heb gehad
have-had-I have had
2.zijn-was-ik ben geweest
to be-was-I have been
Dutch 0: Irregular Verbs
Hebben
Kunnen
Mogen
Wilen
To have
Can
May
To want
Hebben
To have
Kunnen
Can
140 terms
Dutch: Irregular Verbs
aandoen
afwassen
bederven
beginnen
to put on
to do the dishes
to spoil
to begin
aandoen
to put on
afwassen
to do the dishes
Dutch - Irregular verbs
helpen
denken
rekenen
kijken
to help
to think
to count
to look
helpen
to help
denken
to think
140 terms
Irregular verbs Dutch -> English
ontwaken
zijn
slaan
worden
awake awoke awoken
be was were been
beat beat beaten
become became become
ontwaken
awake awoke awoken
zijn
be was were been
6 terms
Dutch Verbs (irregular)
ik heb... jij hebt ... hij / zij / het heeft…
ik ben ... jij bent... hij / zij / het is... wi…
ik kom ... jij komt... hij / zij / het komt…
ik zal ... jij zal/zult ... hij / zij / het…
hebben - to have
zijn - to be
komen - to come
zullen - will
ik heb... jij hebt ... hij / zij / het heeft…
hebben - to have
ik ben ... jij bent... hij / zij / het is... wi…
zijn - to be
irregular verbs dutch
bakken bakte bakten gebakken
bannen bande banden gebannen
barsten barstte barstten gebarsten *
bederven bedierf bedierven bedorven @
to fry
to ban
to burst
to rot, to decay
bakken bakte bakten gebakken
to fry
bannen bande banden gebannen
to ban
189 terms
Dutch Irregular Verbs Perfectum
gebakken
gebannen
gebarsten (is)
bedorven
to fry - bakken
to ban - bannen
to burst - barsten
to rot, to decay - bedreven
gebakken
to fry - bakken
gebannen
to ban - bannen
11 terms
dutch b verbs irregular
zijn, was, ik ben geweest
hebben, had, ik heb gehad
komen, kwam, ik ben gekomen
lezen, las, ik heb gelezen
to be
to have
to come
to read
zijn, was, ik ben geweest
to be
hebben, had, ik heb gehad
to have
25 terms
Irregular verbs dutch
denken
doen
drinken
eten
dacht, dachten
deed, deden
dronk, dronken
at, aten
denken
dacht, dachten
doen
deed, deden
172 terms
Dutch Irregular Verbs
aanbevelen
bedragen
bedriegen
bedrijven
beval aan, aanbevolen... to recommend
bedroeg, bedragen... to ammount to
bedroog, bedrogen... to deceive
bedreef, bedreven... to commit
aanbevelen
beval aan, aanbevolen... to recommend
bedragen
bedroeg, bedragen... to ammount to
Dutch Irregular Verbs
begripen: to understand
blijven: to stay
kijken: to look
krijgen: to get, receive
begreep/ begrepen
bleef/ is gebleven
keek/gekekenö
kreeg/gekregen
begripen: to understand
begreep/ begrepen
blijven: to stay
bleef/ is gebleven
Frequent irregular verbs Dutch
Beginnen, begonnen, begonnen
Begrijpen, begrepen, begrepen
Blijven, bleven, gebleven
Brengen, brachten, gebracht
To begin
To understand
To stay
To bring
Beginnen, begonnen, begonnen
To begin
Begrijpen, begrepen, begrepen
To understand
65 terms
Dutch Irregular Past Tense
bijten
blijven
glijden
grijpen
beet... to bite
bleef... to stay
gleed... to slide
greep... to catch
bijten
beet... to bite
blijven
bleef... to stay
45 terms
dutch irregular verbs
brengen
denken
doen
gaan
bring
think
do
go
brengen
bring
denken
think
31 terms
Irregular Imperfect Verbs Dutch
brengen
denken
doen
doen pl
bracht
dacht
deed
deden
brengen
bracht
denken
dacht
58 terms
Irregular verbs Dutch - English
be - was/were - been
begin - began - begun
become - became - become
break - broke - broken
zijn
beginnen
worden
breken
be - was/were - been
zijn
begin - began - begun
beginnen
Irregular Verbs in Dutch
Hebben
Kunnen
Mogen
Willen
To have
Can
May
To want
Hebben
To have
Kunnen
Can
70 terms
Irregular Dutch verbs
begrijpen
blijven
kijken
krijgen
begreep heeft begrepen understand
bleef is gebleven remain/stay/continue
keek heeft gekeken look/see
kreeg heeft gekregen receive/catch
begrijpen
begreep heeft begrepen understand
blijven
bleef is gebleven remain/stay/continue
17 terms
Dutch irregular verbs imperfectum
bakken
braden
brengen
denken
bakte, bakten, gebakken
braadde, braadden, gebraden
bracht, brachtenn, gebracht
dacht, dachten, gedacht
bakken
bakte, bakten, gebakken
braden
braadde, braadden, gebraden
10 terms
Irregular Dutch conjugations
floot, floten, gefloten
ging, gingen, gegaan
gold, golden, gegolden
genoot, genoten, genoten
Fluiten
Gaan
gelden
genieten
floot, floten, gefloten
Fluiten
ging, gingen, gegaan
Gaan
28 terms
Irregular verbs Dutch-English
become
begin
build
buy
worden
beginnen
bouwen
kopen
become
worden
begin
beginnen
52 terms
Dutch irregular verbs
ik zing, zong, heb gezongen
wij zingen, zongen, hebben gezongen
bieden, bood, geboden
blijven, bleef, gebleven
I sing, sang, have sung
we sing, sang, have sung
to offer, offered, offered
to stay, stayed, stayed
ik zing, zong, heb gezongen
I sing, sang, have sung
wij zingen, zongen, hebben gezongen
we sing, sang, have sung
106 terms
Dutch- Irregular Verbs
bakken
*barsten
*beginnen
begrijpen
to bake
to burst
to begin
to understand
bakken
to bake
*barsten
to burst
148 terms
Dutch: VTT Irregular Verbs
aandoen
afwassen
bederven
beginnen
aangedaan
afgewassen
bedorven
begonnen
aandoen
aangedaan
afwassen
afgewassen
148 terms
Dutch: OVT Irregular Verbs
aandoen
afwassen
bederven
beginnen
deden aan
wasten af
bedierven
begonnen
aandoen
deden aan
afwassen
wasten af
10 terms
dutch b verbs irregular
to be-was-have been
to have-has-have
to come-come-came
to read-read-read
zijn-was-ik ben geweest
habben-had-ik heb gehad
komen-kwam-Ik ben gekomen
leze-la-Ik heb gelezen
to be-was-have been
zijn-was-ik ben geweest
to have-has-have
habben-had-ik heb gehad
36 terms
Dutch Irregular/Confusing Plurals
het bad
de baden
het glas
de glazen
the bath
the baths
the glass
the glasses
het bad
the bath
de baden
the baths
Dutch-Strong and Irregular Verbs
to carry, wear
to experience
to dig
to hit, strike
dragen--droeg--gedragen
ervaren--ervoer--ervaren
graven--groef--gegraven
slaan--sloeg--geslagen
to carry, wear
dragen--droeg--gedragen
to experience
ervaren--ervoer--ervaren
175 terms
Dutch Irregular Verbs Imperfectum
bedierf, bedierven
bedroog, bedrogen
begon, begonnen
behing, behingen
to rot, to decay - bederven
to deceive, to cheat, to trick - bedriegen
to begin - beginnen
to wall-paper - behangen
bedierf, bedierven
to rot, to decay - bederven
bedroog, bedrogen
to deceive, to cheat, to trick - bedriegen
25 terms
irregular verbs in dutch
bakken
bannen
barsten
bederven
to bake
to ban
to brust
to rot
bakken
to bake
bannen
to ban
17 terms
Dutch irregular verbs imperfectum
bakken
braden
brengen
denken
bakte, bakten, gebakken
braadde, braadden, gebraden
bracht, brachtenn, gebracht
dacht, dachten, gedacht
bakken
bakte, bakten, gebakken
braden
braadde, braadden, gebraden
11 terms
Dutch Irregular Verbs Past Participles
vallen (to fall)
vragen (to ask)
vertrekken (to leave)
komen (to come)
zijn gevallen
hebben gevraagd
zijn vertrokken
zijn gekomen
vallen (to fall)
zijn gevallen
vragen (to ask)
hebben gevraagd
67 terms
Dutch irregular verbs
to bake: bakken
to begin: begin
to move: bewegen *
to offer: bieden
bakte; bakten; gebakken
begon; begonnen; begonnen
bewoog; bewogen; bewogen
bood; boden; geboden
to bake: bakken
bakte; bakten; gebakken
to begin: begin
begon; begonnen; begonnen
11 terms
Dutch B irregular verbs
To be-was-I have been
To have-had-I have had
To come-came-I have come
To read-
zijn-was-ik ben geweest
hebben-had-ik heb gehad
komen-kwam-ik ben gekomen
lezen-las-ik heb gelezen
To be-was-I have been
zijn-was-ik ben geweest
To have-had-I have had
hebben-had-ik heb gehad
Dutch irregular verbs
Parler
Sauter
Être debout
Mourir
Spreken sprak spraken gesproken
Springen sprong sprongen gesprongen
Staan stond gestaan
Sterven stierf stierven is gestorven
Parler
Spreken sprak spraken gesproken
Sauter
Springen sprong sprongen gesprongen
20 terms
Irregular Dutch verbs
aandoen
aankomen
afwassen
bakken
deed aan, deden aan, hebben aangedaan
kwam aan, kwanen aan, zijn aangekomen
waste af, wasten af, hebben afgewassen
bakte, bakten, hebben gebakken
aandoen
deed aan, deden aan, hebben aangedaan
aankomen
kwam aan, kwanen aan, zijn aangekomen
11 terms
Dutch B Irregular Verbs
To be
To have
To come
To read
zijn-was-Ik ben geweest
hebben-had-Ik heb gehad
komen-kwam-Ik ben gekomen
lezen-las-Ik heb gelezen
To be
zijn-was-Ik ben geweest
To have
hebben-had-Ik heb gehad
68 terms
Dutch Irregular Verbs
to bake
I bake
I baked
We baked
bakken
ik bak
ik bakte
wij bakten
to bake
bakken
I bake
ik bak
6 terms
Dutch irregular verbs
Aantrekken; trok aan, trokken aan; aan…
Bakken; bakte, bakten; gebakken
Beginnen; begon, begonnen; begonnen (z…
Begrijpen; begreep, begrepen; begrepen
To put on
To fry
To begin
To understand
Aantrekken; trok aan, trokken aan; aan…
To put on
Bakken; bakte, bakten; gebakken
To fry
Dutch Irregular Verbs
bijten (to bite)
blijven (to stay)
glijden (to slide)
grijpen (to catch)
beet, beten, gebeten
bleef, bleven, is gebleven
gleed, gleden, is gegleden
greep, grepen, gegrepen
bijten (to bite)
beet, beten, gebeten
blijven (to stay)
bleef, bleven, is gebleven
12 terms
Dutch irregular verbs
brengen
denken
doen
gaan
to bring, bracht, brachten, gebracht
to think, dacht, dachten, gedacht
to do, deed, deden, gedaan
to go, ging, gingen, is gegaan
brengen
to bring, bracht, brachten, gebracht
denken
to think, dacht, dachten, gedacht
69 terms
Dutch Irregular Verbs
brengen / bracht / brachten / gebracht
denken / dacht / dachten / gedacht
doen / deed / deden / gedaan
gaan / ging / gingen / is gegaan
to bring
to think
to do
to go
brengen / bracht / brachten / gebracht
to bring
denken / dacht / dachten / gedacht
to think
Dutch irregular verbs
To bake
To begin/ start
To understand
To move
bakken-bak(t)-backte-gebakken
Beginnen-begin(t)-begon-begonnen (zijn)
Begrijpen-begrijp(t)-begreep-begrepen
bewegen-beweeg(t)-bewoog-bewogen
To bake
bakken-bak(t)-backte-gebakken
To begin/ start
Beginnen-begin(t)-begon-begonnen (zijn)
24 terms
Dutch Irregular Past Participles
brengen
denken
doen
gaan
gebracht
gedacht
gedaan
gegaan
brengen
gebracht
denken
gedacht
17 terms
Dutch irregular verbs imperfectum
bakken
braden
brengen
denken
bakte, bakten, gebakken
braadde, braadden, gebraden
bracht, brachtenn, gebracht
dacht, dachten, gedacht
bakken
bakte, bakten, gebakken
braden
braadde, braadden, gebraden
106 terms
Irregular Dutch Verbs
bakken - to bake
barsten - to burst
beginnen - to begin
begrijpen - to understand
bakte bakten gebakken
barstte barstten zijn gebarsten
begon begonnen zijn begonnen
begreep begrepen begrepen
bakken - to bake
bakte bakten gebakken
barsten - to burst
barstte barstten zijn gebarsten
12 terms
Dutch Irregular Verbs
ik heb
jij hebt
hij/zij/het heeft
wij hebben
I have
you have
he/she/it has
we have
ik heb
I have
jij hebt
you have
1 of 10