How can we help?

You can also find more resources in our Help Center.

Study sets matching "dutch language 1 ucl"

Study sets
Classes
Users

Study sets matching "dutch language 1 ucl"

78 terms
Dutch Language Quiz 1
Wie ben jij?
Ik ben...
Hoe heet jij?
Ik heet...
What is your name?
I am...
What are you called?
My name is...
Wie ben jij?
What is your name?
Ik ben...
I am...
20 terms
Dutch language acquisition phase 1
Slaapkamer
Bed
Vloerkleed
Lamp
de kamer waar je slaapt.
Je slaapt in dit ding.
Een vierkant of rond stuk bedekking van de vloer.
...
Slaapkamer
de kamer waar je slaapt.
Bed
Je slaapt in dit ding.
7 terms
Living Language Spoken World Dutch 1:1
Goedemorgen!
Hoe heet u?
Ik ben John
Hoe maakt u het?
Good morning!
What's your name?
I'm John
How do you do?
Goedemorgen!
Good morning!
Hoe heet u?
What's your name?
188 terms
Dutch Language Quiz Chapters 1-2
welkom
goedemorgen
allemaal
de cursus
welcome
goodmorning
altogether
course
welkom
welcome
goedemorgen
goodmorning
22 terms
Living Language Spoken World Dutch 1:2
echt?
een beetje
hier
hoe
really?
a little
here
how
echt?
really?
een beetje
a little
9 terms
Living Language Spoken World Dutch 1:6
Vlaanderen
Fries
Frans
Wallonië
Flanders
Friesland
French
Wallonia
Vlaanderen
Flanders
Fries
Friesland
13 terms
Living Language Spoken World Dutch 1:4
Hoe maakt u het, mevrouw?
Heren, bent u klaar?
Ze komt uit Amsterdam.
Nee, zij komt uit Utrecht, en hij komt…
How do you do, madam?
Gentlemen, are you ready?
She comes from Amsterdam
No, she comes from Utrecht, and he comes from Amsterdam.
Hoe maakt u het, mevrouw?
How do you do, madam?
Heren, bent u klaar?
Gentlemen, are you ready?
20 terms
Living Language Spoken World Dutch 1:3
Hoe gaat het met je?
Hoe maakt u het?
Goedemorgen!
Goedenavond!
How are you?
how do you do?
good morning
good evening
Hoe gaat het met je?
How are you?
Hoe maakt u het?
how do you do?
14 terms
Living Language Spoken World Dutch 1:5
Is hij hier?
Zijn ze klaar?
Bent u Amerikan?
Is Maastricht een stad in Nederland of…
Is he here?
Are they ready?
Are you American?
Is Maastrict a city in the Netherlands or Belgium?
Is hij hier?
Is he here?
Zijn ze klaar?
Are they ready?
58 terms
Dutch
de boer
de buur
de buurman
de deur
de boer
de buur
151 terms
Introduction to Dutch - week 1 - vocabulary
aan
absoluut
achtentwintig
achternaam (de achternaam)
to
absolutely
twenty eight
last name
aan
to
absoluut
absolutely
186 terms
Introduction to Dutch - week 1 - vocabulary (March 2015)
huis (het huis)
aan
absoluut
achtentwintig
house
to
absolutely
twenty eight
huis (het huis)
house
aan
to
47 terms
Basic Dutch Phrases-1
today
yesterday
always
good evening
vandaag
glisteren
altijd
goedenavond
today
vandaag
yesterday
glisteren
261 terms
Introduction to Dutch - week 2 - vocabulary (March 2015)
aan
aardig
acht
afspraak (de afspraak)
to
nice
eight
appointment
aan
to
aardig
nice
9 terms
Dutch 1: Lesson 1: Interrogatives
hoe
hoeveel
waar
don't you?
how
how much / many
where
don't you?
hoe
how
10 terms
Dutch 1: Lesson 3: Adjectives
Makkelijk
verdwaald
geweldig
vrij
easy
lost
great
free
Makkelijk
easy
verdwaald
lost
208 terms
Introduction to Dutch - week 3 - vocabulary (March 2015)
aan
aardappelen (de aardappelen)
acht
alle
to
potatoes
eight
all
aan
to
aardappelen (de aardappelen)
potatoes
9 terms
Dutch 1: Lesson 3: Adverbs
links
meteen
rechts
vroeg
left
immediately
right
early
links
left
meteen
immediately
151 terms
Introduction to Dutch - week 1 - vocabulary
aan
absoluut
achtentwintig
achternaam (de achternaam)
to
absolutely
twenty eight
last name
aan
to
absoluut
absolutely
27 terms
Dutch vowel pronunciation a - aa 1
bal ballen
jas jassen
tak takken
val vallen
the ball
the coat
the branch
to fall
bal ballen
the ball
jas jassen
the coat
10 terms
Verbs with fixed prepositions Dutch 1
het oneens zijn met
feliciteren met
klaar zijn met
meedoen met
het oneens zijn ....... (Ze zijn het altijd oneens ..... elkaar.)
feliciteren ....... (Zijn vader feliciteert hem .... zijn prijs.)
klaar zijn ...... (Ben je nu al klaar ..... eten?)
meedoen ....... (Meedoen .... de wedstrijd is belangrijker dan…
het oneens zijn met
het oneens zijn ....... (Ze zijn het altijd oneens ..... elkaar.)
feliciteren met
feliciteren ....... (Zijn vader feliciteert hem .... zijn prijs.)
20 terms
Dutch 1: Lesson 2: Adjectives
heel
zoet
pikant
zuur
whole, also: very
sweet
spicy
sour
heel
whole, also: very
zoet
sweet
13 terms
Introduction to Dutch - week 1 - grammar (personal pronouns)
ik
jij (singular, stressed, informal)
je (singular, unstressed, informal)
u (singular, formal)
I
you (singular, stressed, informal)
you (singular, unstressed, informal)
you (singular, formal)
ik
I
jij (singular, stressed, informal)
you (singular, stressed, informal)
13 terms
Dutch 1: Lesson 1: Prepositions
hier
over
ver
aan
here
about
far
to, at
hier
here
over
about
18 terms
Dutch 1: Lesson 1: Adverbs
alleen
er is
samen
vaak
only
there is
together
often
alleen
only
er is
there is
15 terms
Dutch 1: Lesson 3: Verbs
afspreken
linksaf
rechtsaf
rijden
to arrange (to meet)
to the left
to the right
to cycle; to drive, ride
afspreken
to arrange (to meet)
linksaf
to the left
19 terms
Dutch 1: Lesson 3: Nouns
afspraak
brug
langs
mevrouw
arrangement
bridge
past
madam
afspraak
arrangement
brug
bridge
7 terms
Dutch 1: Lesson 2: Days of the Week
ondag
maandag
dinsdag
woensdag
Sunday
Monday
Tuesday
Wednesday
ondag
Sunday
maandag
Monday
14 terms
Introduction to Dutch - week 1 - grammar (regular verbs)
wonen
werken
studeren
spreken
to live
to work
to study
to speak
wonen
to live
werken
to work
13 terms
Dutch 1: Lesson 1: Adjectives
eigen
erg
gezellig
groot
own
very
nice, cosy
big
eigen
own
erg
very
10 terms
Dutch 1: Lesson 2: Neuter Nouns
tafeltje (het)
college (het)
glas (het)
eten (het)
table
lecture
glass
food
tafeltje (het)
table
college (het)
lecture
9 terms
Dutch 1: Lesson 3: Neuter Nouns
einde (het)
postkantoor (het)
scherm (het)
stadion (het)
end
post office
screen
stadium
einde (het)
end
postkantoor (het)
post office
21 terms
Dutch plurals 1
de bus
de boom
het huis
de muur
de bussen
de bomen
de huizen
de muren
de bus
de bussen
de boom
de bomen
16 terms
Introduction to Dutch - week 1 - phrases
Wie ben jij?
Dat zeg ik niet!
Ik houd van klassieke muziek.
Wat jammer!
What is your name?
I'm not telling!
I love classical music.
That's a shame!
Wie ben jij?
What is your name?
Dat zeg ik niet!
I'm not telling!
10 terms
Introduction to Dutch - week 1 - grammar (possessive pronouns)
mijn
jouw
je
uw
my
your (singular, stressed, informal)
your (singular, unstressed, informal)
your (singular, formal)
mijn
my
jouw
your (singular, stressed, informal)
16 terms
Introduction to Dutch - week 1 - phrases
Wie ben jij?
Dat zeg ik niet!
Ik houd van klassieke muziek.
Wat jammer!
What is your name?
I'm not telling!
I love classical music.
That's a shame!
Wie ben jij?
What is your name?
Dat zeg ik niet!
I'm not telling!
27 terms
Dutch 1: Lesson 4 - Verbs
bestuderen
halen
pakken
staan
to study
to get
to get, fetch
to be (in an upright position)
bestuderen
to study
halen
to get
10 terms
Introduction to Dutch - week 1 - grammar (possessive pronouns)
mijn
jouw
je
uw
my
your (singular, stressed, informal)
your (singular, unstressed, informal)
your (singular, formal)
mijn
my
jouw
your (singular, stressed, informal)
54 terms
Dutch 1: Lesson 1: Nouns
achternaam
boekhouden
datum
geboortedatum
surname
accounting - book keeping
date
date of birth
achternaam
surname
boekhouden
accounting - book keeping
13 terms
Introduction to Dutch - week 1 - grammar (personal pronouns)
ik
jij (singular, stressed, informal)
je (singular, unstressed, informal)
u (singular, formal)
I
you (singular, stressed, informal)
you (singular, unstressed, informal)
you (singular, formal)
ik
I
jij (singular, stressed, informal)
you (singular, stressed, informal)
28 terms
Dutch 1: Lesson 2: Verbs
schreeuwen
De groeten doen aan
weghollen
lezen
to shout
to say hi to, send one's regards to
to run away
to read
schreeuwen
to shout
De groeten doen aan
to say hi to, send one's regards to
36 terms
Dutch 1: Lesson 2: Nouns
wijn
vegetariër
baan
smaak
wine
vegetarian
tennis court
taste
wijn
wine
vegetariër
vegetarian
19 terms
Introduction to Dutch - week 1 - grammar (irregular verbs: to be and to have)
zijn
ik ben
jij / je bent
u bent
to be
I am
you are (singular, informal)
you are (singular, formal)
zijn
to be
ik ben
I am
30 terms
Dutch 1: Lesson 1: Verbs
schrijven
vinden
doen
kennen
to write
to find
to do
to know (people)
schrijven
to write
vinden
to find
14 terms
Introduction to Dutch - week 1 - grammar (regular verbs)
wonen
werken
studeren
spreken
to live
to work
to study
to speak
wonen
to live
werken
to work
19 terms
Introduction to Dutch - week 1 - grammar (irregular verbs: to be and to have)
zijn
ik ben
jij / je bent
u bent
to be
I am
you are (singular, informal)
you are (singular, formal)
zijn
to be
ik ben
I am
20 terms
Dutch 1: Lesson 1: Neuter Nouns
geslacht (het)
huis (het)
huisadres (het)
inschrijfformulier (het)
gender
house
home address
registration form
geslacht (het)
gender
huis (het)
house
100 terms
Most frequently used words in Dutch 1 (1-100)
de
van
en
een
the
1.of, 2.from
and
a(n)
de
the
van
1.of, 2.from
13 terms
Introduction to Dutch - week 3 - grammar (adjectives)
leuk
lekker
mooi
goed
nice
good, tastes well
beautiful
good
leuk
nice
lekker
good, tastes well
8 terms
Introduction to Dutch - week 2 - grammar (negation)
niet
geen (+ noun)
nee
geen idee
not
no (+ noun)
no
no idea
niet
not
geen (+ noun)
no (+ noun)
1 of 10