How can we help?

You can also find more resources in our Help Center.

Study sets matching "dutch nederlands"

Study sets
Classes
Users

Study sets matching "dutch nederlands"

13 terms
Dutch - nederlands
een boterham
eeten
drinken
rijst
a sandwich
to eat
to drink
rice
een boterham
a sandwich
eeten
to eat
11 terms
Nederlands-Dutch: Kleren- Clothes
de jas
het hemd
de jurk
de schoen
the coat
the shirt
the dress
the shoe
de jas
the coat
het hemd
the shirt
21 terms
Nederlands-Dutch: Dieren-Animals
het dier
de kat
het paard
de vogel
the animal
the cat
the horse
the bird
het dier
the animal
de kat
the cat
29 terms
Nederlands-Dutch: Present
is walking
writing
is swimming
cooking
loopt
schrijven
zwemt
koken
is walking
loopt
writing
schrijven
32 terms
Nederlands-Dutch: Eten-Food
het eten
maaltijd
het ontbijt
middageten
the food
meal
the breakfast
lunch
het eten
the food
maaltijd
meal
14 terms
Nederlands-Dutch: Kleuren-Colours
grey
white
orange
pink
grijs
witte
oranje
roze
grey
grijs
white
witte
36 terms
Nederlands-Dutch: Prepositions
is
lives
with/at
between
zit
woont
bij
tussen
is
zit
lives
woont
28 terms
Nederlands-Dutch: Common Phrases
Tot ziens!
Hallo en doei
Dag!
Doei!
See you later!
Hello and bye
Bye!
Bye!
Tot ziens!
See you later!
Hallo en doei
Hello and bye
21 terms
Nederlands-Dutch: Basics
de vrouw
de man
de jongen
een man
the woman
the man
the boy
a man
de vrouw
the woman
de man
the man
40 terms
Nederlands-Dutch: Nummers-Numbers
one
two
three
four
één
twee
drie
vier
one
één
two
twee
13 terms
Dutch Colors/Nederlands Kleuron
rood
oranje
geel
groen
rood
oranje
236 terms
english-dutch (nederlands)
apple
banana
kiwi
orange
appel
banaan
kiwi
sinaasappel
apple
appel
banana
banaan
18 terms
Nederlands-Dutch: Indefinite Pronouns
enough
something/ anything
one
anyone/ someone
genoeg
iets
men
iemand
enough
genoeg
something/ anything
iets
38 terms
Nederlands-Dutch: Adjectives
lang
klein
groot
korte
long
small/ little
big/ large
short/ quick
lang
long
klein
small/ little
18 terms
Nederlands-Dutch: Conjunctions
both...and...
neither
because
but
zowel...als
noch
want
maar
both...and...
zowel...als
neither
noch
12 terms
Nederlands-Dutch: Vragen-Questions
which
what
how
where
welk
wat
hoe
waar
which
welk
what
wat
30 terms
Rangtelwoorden in het Nederlands - Dutch ordinals
de rangtelwoorden
eerste
tweede
derde
the ordinal numbers
1e
2e
3e
de rangtelwoorden
the ordinal numbers
eerste
1e
81 terms
Dutch Words _ Nederlands
hogescholen
ik heet
ik ben
man
I
my name is
I am
man
hogescholen
I
ik heet
my name is
5 terms
Nederlands / Dutch Woordschaten
de man
de vrouw
de jongen
het meisje
the man
the woman
the boy
the girl
de man
the man
de vrouw
the woman
15 terms
Nederlands Relaties (Dutch Relationships)
Moeder
Vader
Zuster
Broer
Mother
Father
Sister
Brother
Moeder
Mother
Vader
Father
18 terms
Nederlands Voornaamwoorden (Dutch Pronouns)
Ik
Zij
Zijn
Haar
I
They/She
His/Are/Be
Her
Ik
I
Zij
They/She
25 terms
Dutch Career in Nederlands en Engels
De carrière
De Schrijfster
De kunstenaar
De kunstenares
The career
The writer
The (male) artist
The (female) artist
De carrière
The career
De Schrijfster
The writer
56 terms
Klanken in het Nederlands - Dutch vowel sounds
de bal ... (the ball)
de kat ... (the cat)
de man... (the man)
de maan ... (the moon)
\a
\a
\a
\aa
de bal ... (the ball)
\a
de kat ... (the cat)
\a
nederlands-dutch d2a
de broer
de jongen
de leraar
de vriend
der Bruder
der Junge
der Lehrer
der Freund
de broer
der Bruder
de jongen
der Junge
10 terms
Nederlands-Dutch: Vragen-Questions
quel
quelle
comment
welk
wat
hoe
waar
quel
welk
quelle
wat
15 terms
Let's Learn: Dutch (Nederlands)
Hallo
Goedemorgen
Goedemiddag
Goedenavond
Hello
Good Morning
Good Afternoon
Good Evening
Hallo
Hello
Goedemorgen
Good Morning
33 terms
Nederlands taalschat (leer Chemistry - Dutch)
manipuleren
charmeren
collectioneren
etaleren
beïnvloeden
bekoren
verzamelen
uitstallen
manipuleren
beïnvloeden
charmeren
bekoren
70 terms
NAAR NEDERLAND rus-dutch 22
vragen (de)
kennen (kennen)
wij
elkaar
вопросы
знаем
мы
друг друга
vragen (de)
вопросы
kennen (kennen)
знаем
61 terms
NAAR NEDERLAND rus-dutch 21
wat
is
uw
naam (de)
как
(есть)
ваше
имя
wat
как
is
(есть)
49 terms
Dutch Les 33 - Werk vinden in Nederland
mogelijkheden
dat hangt van ervan af
opleiding
ervaring
opportunities
that depends
education
experience
mogelijkheden
opportunities
dat hangt van ervan af
that depends
19 terms
Worden Nederland to Farsi (dutch to farsi )
Nederland
nagaan
rekenen op
aan bod komen
Holland
chek kardan
hesab kardan
eraee daden
Nederland
Holland
nagaan
chek kardan
44 terms
Dutch (Nederlands voor buitenlanders Ch1-5
welke
al
leeftijd
allen
which
already
age
your own, alone
welke
which
al
already
115 terms
Dutch (Nederlands voor buitenlanders) Ch6-10
opstaan
wat
verlaat
neem
get up
some
leave
catch, go by
opstaan
get up
wat
some
16 terms
Dutch Short Phrases/Nederlands Korte Zinnen
hallo
tot ziens
alstublieft
dank u
hello
goodbye
please
thank you
hallo
hello
tot ziens
goodbye
118 terms
NEW HEADWAY INTERMEDIATE DUTCH/NEDERLANDS HOOFDSTUK 5
addiction
advance
alien
amateur
verslaving
vooruitgang
buitenaards wezen
amateur-
addiction
verslaving
advance
vooruitgang
20 terms
words blz 15 Engels/dutch (Nederlands)
watch
really
draw pictures
first
kijken
heel
tekeningen maken
eerste
watch
kijken
really
heel
45 terms
Basic Dutch with Pictures 01
de man
de tuin
de hond
de lepel
man
garden
dog
spoon
de man
man
de tuin
garden
34 terms
Dutch Alphabet With Examples (Nederlands Alphabet Met Voorbeelden)
Alles
Aap
Bever
Everything
Monkey
Beaver
Alles
Everything
Aap
Monkey
58 terms
Dutch
de boer
de buur
de buurman
de deur
de boer
de buur
53 terms
Hoofdstuk 5 Nederlands in gang
boodschappen doen
de markt
de groenteboer
er
go shopping
market
greengrocer
there
boodschappen doen
go shopping
de markt
market
57 terms
Hoofdstuk 7 Nederlands in gang
de kledingzaak
de kleding
de zaak
om
clothes shop
clothes
shop / store
(in order) to
de kledingzaak
clothes shop
de kleding
clothes
78 terms
dutch
as
bal
dak
tas
ash
ball
roof
bag, satchel
as
ash
bal
ball
53 terms
Hoofdstuk 9 Nederlands in gang
de heer
de huisarts
de dokter
meneer
Mr
doctor / GP
doctor
Mr
de heer
Mr
de huisarts
doctor / GP
67 terms
Hoofdstuk 6 Nederlands in gang
de vriendin
het restaurant
de serveerster
de tafel
(girl)friend
restaurant
waitress
table
de vriendin
(girl)friend
het restaurant
restaurant
69 terms
Hoofdstuk 8 Nederlands in gang
de makelaar
de woonruimte
de stad
mezelf
real estate agent
accommodation / somewhere to live
city / town
myself
de makelaar
real estate agent
de woonruimte
accommodation / somewhere to live
44 terms
Hoofdstuk 12 Nederlands in gang
het station
Bent u hier bekend?
bekend
de voorbijganger
train station
Do you know your way around here?
known
passer-by
het station
train station
Bent u hier bekend?
Do you know your way around here?
86 terms
Hoofdstuk 1 Nederlands in gang
welkom (in)
goedemorgen
allemaal
de cursus
welcome (to)
good morning
altogether
course
welkom (in)
welcome (to)
goedemorgen
good morning
44 terms
Hoofdstuk 15 Nederlands in gang
Colombia
ging (gaan)
het vliegtuig
duurde (duren)
Columbia
went
aeroplane
took / lasted
Colombia
Columbia
ging (gaan)
went
60 terms
Hoofdstuk 14 Nederlands in gang
de trein
de collega
het congres
de rij
train
colleague
conference
queue
de trein
train
de collega
colleague
68 terms
Hoofdstuk 13 Nederlands in gang
bezoekt (bezoeken)
kom binnen (binnenkomen)
de kerk
zei (zeggen)
is visiting
come in
church
said
bezoekt (bezoeken)
is visiting
kom binnen (binnenkomen)
come in
1 of 10