How can we help?

You can also find more resources in our Help Center.

Study sets matching "language dutch"

Study sets
Classes
Users

Study sets matching "language dutch"

18 terms
Dutch Language
Eltern
Schwester
Freund
Freundin
de ouders
de zus
de vriend \ het vriendje
de vriendin
Eltern
de ouders
Schwester
de zus
51 terms
Dutch language
laag
hoog
wit
zwart
low
high
white
laag
low
hoog
high
Dutch Language
Hallo
Hoe gaat het
Goed dag
Goed, dank je
Hello
How goes it (How are you?)
Good day
Good, thank you
Hallo
Hello
Hoe gaat het
How goes it (How are you?)
1,273 terms
Dutch Language
Hello
Ship
Meet
at the back
Hallo
Schip
Halen
Achterin
Hello
Hallo
Ship
Schip
5 terms
DUTCH LANGUAGE
nuchter
borrel
jenever
de krul
blunt, highly practical, down to earth - практичный
рюмка спиртного
джин
завиток - тубзик на улице в виде завитка
nuchter
blunt, highly practical, down to earth - практичный
borrel
рюмка спиртного
78 terms
Dutch language
Sla
Courgettes
Kersen
Aardbeien
Lettuce
Zucchini
Cherries
Strawberries
Sla
Lettuce
Courgettes
Zucchini
203 terms
Dutch Language
what is this?
the book
the woman
the child
wat is dit?
het boek
de vrouw
het kind
what is this?
wat is dit?
the book
het boek
53 terms
Dutch Language
ik
heet
trouwen
met
나는
...라고 불리우다
결혼하다
...와
ik
나는
heet
...라고 불리우다
9 terms
Dutch Language
Hello
Hi
good morning
good evening
hallo
hoi
goedemorgen
goedenacht
Hello
hallo
Hi
hoi
10 terms
Dutch Language- Grocery Store
Winkel
Boodschappen
Winkelwagen
Geld
Store
Groceries
Cart ( groceries)
Money
Winkel
Store
Boodschappen
Groceries
31 terms
Dutch Language ( Keywords ) .
spreek je Engels?
spreekt u Nederlands?
ik spreek geen Nederlands
ik spreek niet goed Nederlands
Do you speak english ?
Do you speak Dutch ?
I don't speak Dutch
I don't speak much Dutch
spreek je Engels?
Do you speak english ?
spreekt u Nederlands?
Do you speak Dutch ?
308 terms
Dutch Language Course
hebben
zijn
werken
aan
haben
sein
arbeiten
an
hebben
haben
zijn
sein
20 terms
Dutch Language and Culture
Hoi
de lente
de zomer
de herfst
Hi
spring
summer
fall
Hoi
Hi
de lente
spring
78 terms
Dutch Language Quiz 1
Wie ben jij?
Ik ben...
Hoe heet jij?
Ik heet...
What is your name?
I am...
What are you called?
My name is...
Wie ben jij?
What is your name?
Ik ben...
I am...
10 terms
Double Dutch Language Arts
competition
identical
routine
element
a test of skill or ability; a contest
exactly equal and alike
a series of activities performed or meant to be performed reg…
a part of a whole; especially a fundamental or essential part
competition
a test of skill or ability; a contest
identical
exactly equal and alike
8 terms
The dutch language for starters
I
You
He
She
Ik
Jij
hij
zij
I
Ik
You
Jij
39 terms
Countries languages - norsk - dutch
Norge
norsk
Polen
polsk
Noorwegen
noors
Polen
pools
Norge
Noorwegen
norsk
noors
87 terms
Dutch Vocab - University/Languages
spreken een taal
belangrijk
nemen les
oefenen
to speak a language
important
to take lessons
to practice
spreken een taal
to speak a language
belangrijk
important
72 terms
WoW Dutch Language Tables
matross
raadzaal
cardel
barnevelder
a onetime gunner's mate
the assembly hall of a raad
a cask used by Dutch whalers
a Dutch breed of large dual-purpose fowls laying numerous dee…
matross
a onetime gunner's mate
raadzaal
the assembly hall of a raad
17 terms
De Nederlandse Taal (The Dutch Language) in progress
The
The Man
The Woman
The Boy
De/Het
De Man
De Vrouw
De Jongen
The
De/Het
The Man
De Man
20 terms
Dutch language acquisition phase 1
Slaapkamer
Bed
Vloerkleed
Lamp
de kamer waar je slaapt.
Je slaapt in dit ding.
Een vierkant of rond stuk bedekking van de vloer.
...
Slaapkamer
de kamer waar je slaapt.
Bed
Je slaapt in dit ding.
188 terms
Dutch Language Quiz Chapters 1-2
welkom
goedemorgen
allemaal
de cursus
welcome
goodmorning
altogether
course
welkom
welcome
goedemorgen
goodmorning
9 terms
Living Language Spoken World Dutch 1:6
Vlaanderen
Fries
Frans
Wallonië
Flanders
Friesland
French
Wallonia
Vlaanderen
Flanders
Fries
Friesland
22 terms
Living Language Spoken World Dutch 1:2
echt?
een beetje
hier
hoe
really?
a little
here
how
echt?
really?
een beetje
a little
13 terms
Living Language Spoken World Dutch 1:4
Hoe maakt u het, mevrouw?
Heren, bent u klaar?
Ze komt uit Amsterdam.
Nee, zij komt uit Utrecht, en hij komt…
How do you do, madam?
Gentlemen, are you ready?
She comes from Amsterdam
No, she comes from Utrecht, and he comes from Amsterdam.
Hoe maakt u het, mevrouw?
How do you do, madam?
Heren, bent u klaar?
Gentlemen, are you ready?
20 terms
Living Language Spoken World Dutch 1:3
Hoe gaat het met je?
Hoe maakt u het?
Goedemorgen!
Goedenavond!
How are you?
how do you do?
good morning
good evening
Hoe gaat het met je?
How are you?
Hoe maakt u het?
how do you do?
7 terms
Living Language Spoken World Dutch 1:1
Goedemorgen!
Hoe heet u?
Ik ben John
Hoe maakt u het?
Good morning!
What's your name?
I'm John
How do you do?
Goedemorgen!
Good morning!
Hoe heet u?
What's your name?
14 terms
Living Language Spoken World Dutch 1:5
Is hij hier?
Zijn ze klaar?
Bent u Amerikan?
Is Maastricht een stad in Nederland of…
Is he here?
Are they ready?
Are you American?
Is Maastrict a city in the Netherlands or Belgium?
Is hij hier?
Is he here?
Zijn ze klaar?
Are they ready?
54 terms
Every Language Ever (German, Italian, Icelandic, Dutch, Swedish, Turkish)
yes (de)
no (de)
please (de)
thank you (de)
ja
nein
bitte
danke
yes (de)
ja
no (de)
nein
13 terms
GLN4 Unit2 Focus2 On the southwestern coast LanguageA Paradise on earth to create-Dutch
to create
mist
rainforest
toilet
erschaffen
Nebel, Dunst
Regenwald
Toilette
to create
erschaffen
mist
Nebel, Dunst
288 terms
Dutch
menner
huurder
buren, ... buurvrouw
de verdieping
Mister
tenant (квартиросъемщик)
neighbor male,... neighbor female
the floor
menner
Mister
huurder
tenant (квартиросъемщик)
58 terms
Dutch
de boer
de buur
de buurman
de deur
de boer
de buur
78 terms
dutch
as
bal
dak
tas
ash
ball
roof
bag, satchel
as
ash
bal
ball
15 terms
Dutch food vlees
de slager
het gehakt
het varkensvlees
de varkenshaas
the butcher
the minced meat
the pork (meat)
the pork fillet
de slager
the butcher
het gehakt
the minced meat
15 terms
Dutch vowel pronunciation u - uu
de cursus
de zus
de minuut
alstublieft
de cursus
de zus
20 terms
Dutch vowel pronunciation e - ee
wel
de week
de weken
lekker
wel
de week
23 terms
Dutch vowel pronunciation i - ie
de kip
de frietjes
de biefstuk
drinken
de kip
de frietjes
261 terms
Introduction to Dutch - week 2 - vocabulary (March 2015)
aan
aardig
acht
afspraak (de afspraak)
to
nice
eight
appointment
aan
to
aardig
nice
23 terms
Dutch vowel pronunciation o - oo
de docent
blond
de ober
de koffie
de docent
blond
208 terms
Introduction to Dutch - week 3 - vocabulary (March 2015)
aan
aardappelen (de aardappelen)
acht
alle
to
potatoes
eight
all
aan
to
aardappelen (de aardappelen)
potatoes
18 terms
practicing simple Dutch prepositions
Het konijn staat naast de krokodil.
Het konijn staat tegenover de krokodil.
Het konijn ligt onder de krokodil.
Het konijn zit op de krokodil.
Waar staat het konijn?... (Het konijn staat ..... de krokodil.)
Waar staat het konijn?... (Het konijn staat ..... de krokodil.)
Waar ligt het konijn?... (Het konijn ligt .... de krokodil.)
Waar zit het konijn?... (Het konijn zit .... de krokodil.)
Het konijn staat naast de krokodil.
Waar staat het konijn?... (Het konijn staat ..... de krokodil.)
Het konijn staat tegenover de krokodil.
Waar staat het konijn?... (Het konijn staat ..... de krokodil.)
32 terms
Dutch phrases
Dag
Hallo
Doei
Bedankt
Hello/goodbye/day
Hello
Bye
Thanks
Dag
Hello/goodbye/day
Hallo
Hello
244 terms
Dutch
absolutely
accidentally
afterwards
almost
absoluut/zeker
per ongeluk, niet express
daarna
bijna
absolutely
absoluut/zeker
accidentally
per ongeluk, niet express
28 terms
practicing Dutch pronouns
Hoe vind jij Johnny Depp?... (Ik vind .…
Hoe vind jij Whoopi Goldberg?... (Ik vi…
Hee, Laura! Zullen we samen iets dri…
Hoe vind jij *Brat Pitt en Angela Joli…
Ik vind hem leuk.
Ik vind haar leuk.
Ik vind jou leuk.
Ik vind ze leuk.
Hoe vind jij Johnny Depp?... (Ik vind .…
Ik vind hem leuk.
Hoe vind jij Whoopi Goldberg?... (Ik vi…
Ik vind haar leuk.
23 terms
usage of geen and niet in Dutch
Nee, ik eet niet veel.
Nee, ze eet geen rijst.
Nee, ze eet die rijst niet.
Nee, hij drinkt niet veel bier.
Eet je veel?
Eet ze rijst?
Eet ze die rijst nog?
Drinkt hij veel bier?
Nee, ik eet niet veel.
Eet je veel?
Nee, ze eet geen rijst.
Eet ze rijst?
151 terms
Introduction to Dutch - week 1 - vocabulary
aan
absoluut
achtentwintig
achternaam (de achternaam)
to
absolutely
twenty eight
last name
aan
to
absoluut
absolutely
47 terms
Scheidbare werkwoorden / Separable verbs Dutch English
aankomen
uitgaan
oversteken
intoetsen
to arrive
to go out
to cross
to enter (pincode etc.)
aankomen
to arrive
uitgaan
to go out
27 terms
Dutch vowel pronunciation a - aa 1
bal ballen
jas jassen
tak takken
val vallen
the ball
the coat
the branch
to fall
bal ballen
the ball
jas jassen
the coat
30 terms
degrees of comparison Dutch
klein
groot
oud
leuk
klein - kleiner - het kleinst
groot - groter - het grootst
oud - ouder - het oudst
leuk - leuker - het leukst
klein
klein - kleiner - het kleinst
groot
groot - groter - het grootst
52 terms
Dutch IGCSE unfamiliar Vocab T words
the task
the language
the cake, pie
to fill up, to fuel
de taak
de taal
de taart
tanken
the task
de taak
the language
de taal
1 of 10