How can we help?

You can also find more resources in our Help Center.

Study sets matching "verbs and prepositions dutch"

Study sets
Classes
Users

Study sets matching "verbs and prepositions dutch"

42 terms
Dutch Prepositions /Modal Verbs
op
met
van
naar
on
with
from
to
op
on
met
with
11 terms
Dutch Verb-Prepositional Phrases
Bellen naar
Denken aan
Dromen over
Geven aan
To call somebody: Naar wie is hij aan het bellen?
To think of: Ik denk vaak aan mijn moeder.
To dream about: Ik droom vaak over je.
To give: Cilla geeft de kopieën aan Hans.
Bellen naar
To call somebody: Naar wie is hij aan het bellen?
Denken aan
To think of: Ik denk vaak aan mijn moeder.
10 terms
Verbs with fixed prepositions Dutch 1
het oneens zijn met
feliciteren met
klaar zijn met
meedoen met
het oneens zijn ....... (Ze zijn het altijd oneens ..... elkaar.)
feliciteren ....... (Zijn vader feliciteert hem .... zijn prijs.)
klaar zijn ...... (Ben je nu al klaar ..... eten?)
meedoen ....... (Meedoen .... de wedstrijd is belangrijker dan…
het oneens zijn met
het oneens zijn ....... (Ze zijn het altijd oneens ..... elkaar.)
feliciteren met
feliciteren ....... (Zijn vader feliciteert hem .... zijn prijs.)
71 terms
Dutch Verbs+Prepositions
aandringen op
aanmanen tot
aanmoedigen tot
zich aanpassen aan
to insist on
to urge to
to encourage to
to adjust oneself to
aandringen op
to insist on
aanmanen tot
to urge to
10 terms
Verbs with fixed prepositions Dutch 2
zich ergeren aan
verhuren aan
wennen aan
interesse hebben in
zich ergeren ........ (Zij ergert zich .... andere automobilist…
verhuren ......... (We verhuren auto's .... particulieren en be…
wennen ....... (Het jongetje moet nog wennen .... school.)
interesse hebben ....... (Hij heeft duidelijk interesse ..... h…
zich ergeren aan
zich ergeren ........ (Zij ergert zich .... andere automobilist…
verhuren aan
verhuren ......... (We verhuren auto's .... particulieren en be…
39 terms
Dutch verbs with prepositions
Komen uit
Komen van
Wonen in
Zeggen tegen
Birthplace, origin
Come from
Live in (a street)
Say to
Komen uit
Birthplace, origin
Komen van
Come from
28 terms
Dutch verbs with prepositions
aandringen op
aanmanen tot
aanmoedigen tot
zich aanpassen aan
to insist on
to urge to
to encourage to
to adjust oneself to
aandringen op
to insist on
aanmanen tot
to urge to
41 terms
Dutch prepositions
aan
achter
beneden
bij
an
behind
beneath, below
by, with, near
aan
an
achter
behind
24 terms
Dutch - Prepositions
on, at, to
behind
with, by, near, at
inside, within
aan
achter
bij
binnen
on, at, to
aan
behind
achter
59 terms
DUTCH PREPOSITIONS
beyond
but
by
despite
buiten/achter
maar
door (depends on context)
ondanks
beyond
buiten/achter
but
maar
33 terms
Dutch Prepositions
on, to
behind
except for, besides
beneath, underneath
aan
achter
behalve
beneden
on, to
aan
behind
achter
18 terms
practicing simple Dutch prepositions
Het konijn staat naast de krokodil.
Het konijn staat tegenover de krokodil.
Het konijn ligt onder de krokodil.
Het konijn zit op de krokodil.
Waar staat het konijn?... (Het konijn staat ..... de krokodil.)
Waar staat het konijn?... (Het konijn staat ..... de krokodil.)
Waar ligt het konijn?... (Het konijn ligt .... de krokodil.)
Waar zit het konijn?... (Het konijn zit .... de krokodil.)
Het konijn staat naast de krokodil.
Waar staat het konijn?... (Het konijn staat ..... de krokodil.)
Het konijn staat tegenover de krokodil.
Waar staat het konijn?... (Het konijn staat ..... de krokodil.)
35 terms
Prepositions - Dutch
naar
om
in
bij
to
by
in
at
naar
to
om
by
23 terms
Dutch Prepositions
Met
Van
Naar
In
With
From
To
In
Met
With
Van
From
32 terms
Dutch Prepositions
Aan
Achter
Beneden
Bij
To, on, at
Behind
Below
Near, with
Aan
To, on, at
Achter
Behind
14 terms
Dutch Prepositions
in
aan
achter
bij
in / into
to / on / at
behind / at the back of
near / close to / with
in
in / into
aan
to / on / at
16 terms
Dutch prepositions
in front of
behind
inside
outside
voor
achter
in
uit
in front of
voor
behind
achter
78 terms
Dutch Prepositions
about
above
across
after
over
boven
over
na
about
over
above
boven
15 terms
Dutch prepositions
at
with
between
in
aan
bij
tussen
in
at
aan
with
bij
32 terms
Dutch Prepositions
aan
achter
behalve
bij
on (vertical), at, to (people)
behind
except (for)
near, by, at
aan
on (vertical), at, to (people)
achter
behind
51 terms
Dutch Prepositions
in
van
op
voor
in
of
on
for... in front of
in
in
van
of
43 terms
Dutch- Verbs+ Prepositions+ Nouns/Adjectives/Reflexive
een aandeel hebben in
een aanmerking maken op
aanspraak maken op
commentaar hebben op
to have a part in
to make a remark
to claim
to comment
een aandeel hebben in
to have a part in
een aanmerking maken op
to make a remark
Dutch: Prepositions
De grote spin woont in een schoen.
Goedemorgen, wilt u een ei bij uw ontb…
Een muis tussen de katten.
Zij zijn in Nederland.
The big spider lives in a shoe.
Good morning, do you want an egg with your breakfast?
A mouse among the cats.
They are in the Netherlands.
De grote spin woont in een schoen.
The big spider lives in a shoe.
Goedemorgen, wilt u een ei bij uw ontb…
Good morning, do you want an egg with your breakfast?
32 terms
Dutch Prepositions
aan
achter
beneden
bij
on, upon, at, to
behind
beneath, below
by, with, near
aan
on, upon, at, to
achter
behind
26 terms
Dutch: Prepositions
in
bij
tussen
aan
in
at
between
to
in
in
bij
at
33 terms
Dutch Prepositions
in
aan
tussen
bij
in
on
between
near
in
in
aan
on
37 terms
Dutch Prepositions
aan
tussen
bij
uit
at / to
between
at house of
from / out of
aan
at / to
tussen
between
23 terms
Dutch - Prepositions
met
naar
van
in
with
to
from
in
met
with
naar
to
68 terms
prepositions - dutch
about
above
across
after
over
boven
over
na
about
over
above
boven
12 terms
Dutch Prepositions
Aan
Binnen
Boven
Door
At, on
Inside, within
Above, to be over
Through
Aan
At, on
Binnen
Inside, within
72 terms
Dutch Prepositions
about, across
above
after
against
over
boven
na
tegen
about, across
over
above
boven
27 terms
Dutch prepositions
Op
Zonder
Over
Naast
On
Without
Over
Next to
Op
On
Zonder
Without
26 terms
Dutch Prepositions
Genieten (to enjoy)
stoppen (to stop)
hebben last (suffer from)
gebruiken (to use)
van
met
van
van
Genieten (to enjoy)
van
stoppen (to stop)
met
24 terms
Prepositions (Dutch)
in
with
without
under
in
met
zonder
onder
in
in
with
met
19 terms
Dutch Prepositions
Langs
Naar
Over
Aan
Along
To
Over
On
Langs
Along
Naar
To
15 terms
Dutch Prepositions
Uit
Van
En
Aan
From
From
And
To
Uit
From
Van
From
18 terms
prepositions Dutch
op
voor
achter
na
on
for/infront
behind
after
op
on
voor
for/infront
22 terms
Dutch Prepositions
on the wall
on top of
nearby
in
aan
op
bij
in
on the wall
aan
on top of
op
23 terms
Dutch Prepositions
met
van
naar
in
with
from
to
in
met
with
van
from
59 terms
DUTCH PREPOSITIONS
beyond
but
by
despite
buiten/achter
maar
door (depends on context)
ondanks
beyond
buiten/achter
but
maar
29 terms
Dutch prepositions
aan
bij
in
tussen
on, at, about
with, at, among
in, into, inside
between, among
aan
on, at, about
bij
with, at, among
11 terms
Prepositions- Dutch
van
op
maar
voor
of
on
but
for
van
of
op
on
27 terms
dutch prepositions
bij
tussen
aan
woont
with
between
at
live
bij
with
tussen
between
29 terms
Dutch prepositions
in
bij
tussen
aan
in
with... among
between
to
in
in
bij
with... among
46 terms
[Dutch] Prepositions
Na
Door (t)
Door (b)
Vlakbij (n)
After
Through
By
Nearby
Na
After
Door (t)
Through
Dutch 8B Verbs with set prepositions/ New verbs
vertellen
solliciteren
beginnen
houden
aan/ over
met
naar
van
vertellen
aan/ over
solliciteren
met
10 terms
Dutch verbs
Ben
Is
Lezen
Hij leest
Am
Is
To read
He reads
Ben
Am
Is
Is
73 terms
Dutch verbs
lopen
hebben
worden
gaan
to walk
to have
to become
to go
lopen
to walk
hebben
to have
41 terms
EXTRA Dutch prepositions
aan
achter
beneden
bij
an
behind
beneath, below
by, with, near
aan
an
achter
behind
19 terms
Learn Dutch grammar 38 Verb + Prepositions, fixed combinations
denken aan
zijn vrouw
de e-mail
sturen naar
to think about
his wife
the e-mail
to send to
denken aan
to think about
zijn vrouw
his wife
1 of 10